Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Fries hoen

Fries hoen

De Fryske Hinnenclub heeft een rasstandaard ontwikkeld. Er zijn twaalf kleurslagen erkend, ruwweg te onderscheiden in kippen met en zonder pel. De eerste Friese kippen zouden geel gepeld zijn geweest. Daaruit zou de roodgepelde Friese kip zijn ontstaan, en daaruit weer de roodbonte en de geelwitgepelde. De meeste Friese kippen behoren tegenwoordig tot de witgepelde variant. Nog niet erkend zijn de kleuren parelgrijs en parelgrijskoekoek.

Behalve de kleur zijn bij het fokdoel de gezondheid, bouw en het type van belang. Friese hoenders zijn over het algemeen goed bestand tegen allerlei ziekten, maar het afweermechanisme kan wel te leiden hebben onder inteelt . Fokzuiverheid kan gebaat zijn bij de inzet van verwante dieren en bij het fokken kan de kleur wel eens teveel de overhand hebben. Dit zijn allemaal risicofactoren waar fokkers van een zeldzaam ras rekening mee moeten houden.
Als fokdoel geldt in elk geval dat er sprake moet zijn van een volle, ronde borst, die hoog wordt gedragen. De volwassen hen heeft een goed ontwikkelde legbuik. De rug loopt met een flauwe helling naar achteren af en mag niet rond zijn. De staart is royaal ontwikkeld, staat op gelijke hoogte met de kop en wordt als een waaier uitgespreid gedragen, onder een hoek van meer dan negentig graden. De vleugels hangen iets naar beneden, maar zijn wel goed aangetrokken.

Van het Friese hoen bestaat een grote en een kriel variant. Van de krielen wordt beweerd dat ze zijn ontstaan uit een kruising tussen het Engels krielkippenras Sebrights en de grote Friese kip. Andere bronnen beweren dat het om een kruising gaat met eenkleurige Hollandse krielkippen en nog weer anderen noemen het Krũpelhintsje, een uitgestorven kippenras. Nader genetisch onderzoek moet uitwijzen welke bron het bij het juiste eind heeft.

kippenboek

Terug naar:

 

 

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier