Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Haemonchose

Controleer je schapen geregeld op bloedarmoede. Dat kan het best door de slijmvliezen van het oog te bekijken. Die moeten roze zijn. Zijn ze wit, dan kan het zijn dat je schaap last heeft van een infectie met de rode lebmaagworm, ook wel heamonchose genoemd. Wil je zekereid: laat dan mestonderzoek doen.

Naast een aantal andere wormsoorten is de soort Haemonchus, behorende tot de Nematoden, een van de meest schadelijke bij geiten en schapen. De bijbehorende worm, Haemonchus contortus, ook wel Rode Lebmaagworm genoemd, is een bloedzuigende parasiet die zich nestelt in de lebmaag van herkauwers (schapen), bij genaamd de rode maagworm (rood vanwege het opgezogen bloed).
Vrouwelijke exemplaren van deze wormensoort leggen tot 5000 eieren per dag, die worden uitgescheiden via de mest. Na ontwikkeling via een aantal stadia worden de larven via het gras weer opgenomen. Bij dieren zonder weerstand (lammeren) kan dit zeer schadelijke gevolgen hebben.

Haemonchose komt de laatste jaren vaker en op grote schaal voor. Bovendien is de periode van voorkomen veel langer: vanaf mei tot in oktober. 

Symptomen haemonchose of rode lebmaagworm
Door de snelle vermeerdering en het zuigen van bloed vertonen de aangetaste dieren ernstige bloedarmoede en kunnen gemakkelijk doodgaan. De bloedarmoede is goed zichtbaar aan de oogslijmvliezen, deze zijn spierwit, terwijl er soms sprake is van een dikke kop, met name de onderkant van de kaak, ten gevolge van optredend oedeem.

Opvallend is dat de mest niet dun is, maar juist aan de stijve kant en soms donkergekleurd. Het beeld van de mest kan beinvloed worden door andere worminfecties. Tijdens een mestonderzoek in het laboratorium kunnen de eieren gedifferentieerd en geteld worden, zodat de diagnose kan worden gesteld. Neem voor een goed resultaat een mengmonster van de mest van een aantal lammeren.

Larven
De rode lebmaagworm overwintert als winterslapende larve in de gastheer en vrijwel niet buiten deze gastheer. De infectie bouwt zich in het voorjaar op doordat overwinterende larven worden opgenomen en zich vermeerderen. Na een aantal generaties, vooral in jonge dieren kan de infectie soms explosief toeslaan en zichtbaar worden. Doordat de infectie zich moet opbouwen treden de eerste gevallen doorgaans niet op in het voorjaar, maar pas in de zomer, ongeveer vanaf juli. Wanneer de infectie hevig genoeg is, kunnen massaal uit hun winterslaap komende larven al in het voorjaar tot zichtbare verschijnselen leiden.

Ontwormen, resistentie tegen benzimidazolen en omweiden
Hamonchus is vrijwel ongevoelig voor ontwormingsmiddelen uit de groep benzimidazolen. Ook is er al resistentie geconstateerd tegen de groep van avermectinen. Moxidectine, monepantel en levamisol werken wel.
Als de ontworming in de herfst op het juiste moment plaatsgevonden en goed is toegepast, is de eerste behandeling pas weer nodig na het aflammeren. De ooien worden behandeld bij de het inscharen, zo mogelijk in een schone weide. De lammeren komen enige weken daarna, afhankelijk van de ernst van de worminfectie en het omweidingsschema.

Bij het graslandbeheer is omweiden de belangrijkste methode om besmetting met maagdarmwormen te voorkomen en daarmee een eventuele resistentie tegen ontwormingsmiddelen. Problemen zijn voor een groot deel te voorkomen door de lammeren in het voorjaar naar buiten te doen op schoon land, dat wil zeggen land waar minimaal drie maanden (maar bij voorkeur langer) geen schapen of geiten hebben gelopen. Tot medio juni kun je ze binnen drie weken en daarna binnen twee weken verweiden naar schoon land.

Vier weken nadat de lammeren terug zijn gekomen op land waar eerder in hetzelfde jaar schapen of geiten hebben geweid, is mestonderzoek aan te bevelen om de besmettingsgraad vast  te stellen. Let daarbij op dat na een lange periode van droogte en plotselinge regenval, het aantal jonge larven explosief kan toenemen en de volwassen larven kunnen overheersen, waardoor er tijdelijk geen uitscheiding van eieren plaatsvindt. Via mestonderzoek valt dan tijdelijk niets waar te nemen.Daarom is het belangrijk om bij een vermoeden van haemonchose niet geheel blind te varen op mestonderzoek, maar ook andere symptomen zoals bloedarmoede goed in de gaten te houden.

Schapen kunnen weerstand opbouwen, zonder dat de verschijnselen zichtbaar worden. Bij een goede behandeling hoort ook de controle van de ontworming. Dit kan door het mestonderzoek na ongeveer 14 dagen te herhalen.

Terug naar:

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier