Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Weidebesmetting en weidebeheer

Ingediend door jinke op 14 november 2010 - 16:43

Schapen, geiten en runderen hebben altijd een bepaalde mate van wormbesmetting. Daarom zullen ze doorlopend kleine hoeveelheden wormeieren in de mest uitscheiden. De hoeveelheid varieert met de seizoenen. Dieren die voortdurend in hetzelfde weiland lopen, zullen dat weiland steeds meer besmetten. De Universiteit van Utrecht heeft over een periode van 5 jaar (1999-2004) de weidesmetting met Haemonchus-larven onderzocht. In het voorjaar (april-juni) en zomer (juli-september) werden groepjes schapen in een weide gehouden en steeds na 2 tot 4 weken omgeweid naar een 'schone' nieuwe weide. Ieder week werd door middel van het tellen van de larven in het gras werd iedere week de weidebesmetting bepaald. Het aantal larven per kilo droog gras is een maat voor de weidebesmetting.

Weidebeheer
Met weidebeheer dat gericht is op het verminderen van de wormdruk proberen we de natuur na te bootsen. Onder natuurlijke omstandigheden mijden grazers grasland rond de eigen mestplaatsen, waar de infectieuze larven zich bevinden. Het doel van het weidebeheer is grasland aan te bieden met geen of een geringe wormbesmetting. Dit kan op verschillende manieren, die er allemaal op gericht zijn de wormcyclus, zoals eerder besproken, te onderbreken.

Veedichtheid
Bij toenemende veedichtheid wordt de wormdruk groter. Uit ervaring blijkt dat intensieve bedrijven, met een (veel) grotere bezetting dan 10-15 volwassen schapen/geiten per hectare, vaak tegen wormproblemen aanlopen. Aan de andere kant is bij zeer extensief gehouden dieren de wormdruk in het algemeen laag, waardoor ontwormen minder of soms helemaal niet nodig is. Let op dat in begrazingsgebieden dieren een sterke voorkeur kunnen hebben voor bepaalde vegetatiesoorten. Daar kan dan ook een hoge infectiedruk zijn.

Maaien
Bij maaien en hooien worden veel infectieuze larven afgevoerd, waardoor de wormdruk flink vermindert. Pas gemaaid land kan echter niet meteen beschouwd worden als 'schoon'. Larven sterven af in droge omstandigheden. Zij kunnen ook slecht tegen direct zonlicht. Bij droog en zonnig weer zullen de larven onderin het gras gaan zitten. Na maaien kunnen er dus larven overblijven. Wel kan bij pas gehooid land door de open structuur veel zon en droogte doordringen in de grasmat, waardoor veel larven afsterven.

Lengte van het gras
De meeste wormlarven kruipen niet meer dan ongeveer 3 cm in het gras omhoog. Door het gras niet te kort te laten afgrazen wordt besmetting grotendeels voorkomen.

Andere grazers
Schapen en geiten zijn gevoelig voor dezelfde wormen. Andere grazers zoals runderen en paarden zijn gevoelig voor andere soorten wormen. Opgenomen larven van 'schapen- en geitenwormen' kunnen zich niet verder ontwikkelen en sterven af. Wisselbeweiding met andere grazers verlaagt dus de wormdruk. Dit geldt over en weer.

Braak liggen
Een perceel waarop minimaal 12 maanden geen schapen of geiten hebben gelopen kan worden beschouwd als 'schoon'. Na een periode van 3 jaar zonder beweiding is een perceel geheel vrij van parasieten. Ook omgeploegd en opnieuw ingezaaid grasland is vrij van wormbesmetting.

Dossier

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier