Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Longwormen bij runderen

Ingediend door jinke op 02 november 2010 - 19:37

Denk bij koeien die hoesten altijd aan longworm. Vooral in augustus. Dat is de tijd van het jaar waarin koeien (vooral jonge, maar ook volwassen dieren) last kunnen krijgen van longwormen, ook wel grashoest genoemd. Longwormen kunnen eenvoudig worden aangetoond door middel van mestonderzoek. 

De levenscyclus van de longworm (Dictyocaulus viviparus) wijkt enigszins af van die van maagdarmwormen.

1) Kalveren, pinken of koeien nemen met het grazen infectieuze larven (L3) op.

2) Na ongeveer 8-9 dagen bereiken de larven de longen. Daar groeien ze in ongeveer 2 weken uit tot volwassen wormen die eieren produceren. De eieren bevatten al een klein larfje en de larfjes kunnen al in de longen uit het ei komen. De eieren (en larfjes) worden opgehoest en grotendeels ingeslikt.

3) Na het inslikken passeren de eieren en larfjes het maagdarmkanaal. Tijdens deze passage komen alle eieren uit, zodat uiteindelijk met de mest alleen larfjes (L1) op het weiland terecht komen. De periode tussen opname van een infectieuze larve (L3) en het eerste moment dat we daarna nieuwe larven kunnen vinden in de mest, noemen we ook wel de pre-patent periode. Die duurt dus ruim 3 weken.

4) In de mest ontwikkelen de eerste stadium-larven (L1) tot derde stadium-larven (L3), die infectieus zijn voor het rund. Op het weiland duurt dit proces tijdens Nederlandse zomers zo'n 5-8 dagen. De ontwikkeling is veel minder weersafhankelijk dan die bij maagdarmwormen, hoewel ook hier de de ontwikkeling stopt of vertraagt bij erg lage temeraturen.

5) Anders dan de L3 van de meeste maagdarmwormsoorten, zijn die van longwormen weinig actief. Ze hebben daarom hulp nodig om zich te verplaatsen vanuit de mest naar het omringende gras. De belangrijkste hulp is afkomstig van een schimmeltje dat in grote getale groeit op mestplakken. Dit schimmeltje zorgt voor een zeer snelle en efficiente verspreiding van de larven naar het gras tot meters in de omtrek. Bijna ongeacht het weer kunnen vanaf een week nadat de eerste L1-larven met de mest zijn uitgescheiden, L3-larven massaal op het gras worden gevonden.

6) Daarentegen kunnen longworm L3-larven niet zo lang overleven op de weide als die van maagdarmwormen. Zomers is na 2 weken al bijna 90% van de longworm L3-larven gestorven en na 6 weken zijn ze vrijwel allemaal verdwenen. L3-larven kunnen soms overwinteren in Nederland, maar meestal sterven ze af. Dat betekent dat longworm vooral overwintert in dragerdieren (pinken, maar vooral koeien). Deze dragers scheiden elk jaar opnieuw kleine aantallen larven uit met de mest. De meeste infecties bij kalveren beginnen dus als dragers nieuwe larven op de weide gebracht hebben waar die kalveren grazen (b.v. door weiden van droge koeien op kalverpercelen)

Ziektebeeld
De klachten varieren van lichte hoest tot ernstige benauwdheid. De meest duidelijke verschijnselen zijn hoesten en een (sterk) verhoogde ademhalingsfrequentie. Bij het hoesten strekken de dieren hun hals en bollen de rug waarbij de tong uit de bek komt. De ademhalingsfrequentie kan bij kalveren oplopen van normaal 30-40 tot wel boven de 90-100 per minuut bij zeer ernstige longwormziekte. Daarnaast worden de dieren lusteloos en verliezen eetlust. Koorts en neusuitvloeiing zijn geen verschijnselen die duiden op een infectie met longworm. Dat hoort meer bij virale of bacteriele longinfecties, welke overigens wel gemakkelijker kunnen toeslaan indien er sprake is van longwormziekte.

Besmettingspatroon
Geringe aantallen besmettelijke larven kunnen op de wei overwinteren maar meestal zijn ze in het voorjaar al afgestorven. Hoe later in het jaar de kalveren naar buiten gaan hoe kleiner de kans dat ze zich met overwinterende larven besmetten.

Aanpak in natuurgebieden
De snelle ontwikkeling van in de mest uitgescheiden larven tot besmettelijke larven betekent dat er geen praktische beweidingsmaatregelen ter bestrijding van longwormen zijn. Als er ziekteverschijnselen optreden, kan in overleg met een dierenarts worden besloten om de kalveren te behandelen met een wormmiddel.

Vaccinatie
Tegen longwormen is vaccinatie mogelijk. Koeien die voor het eerst naar buiten gaan moeten twee keer worden gevaccineerd: zes weken voor weidegang en twee weken voor widegang. Het is belangrijk dat de dieren twee weken na de tweede vaccinatie besmet raken, zodat de vaccinatie z'n werk kan doen. Ze moeten dus geweid worden op een stuk grond waar koeien larven hebben afgezet. Raken de gevaccineerde dieren niet besmet, dan blijven ze na het weideseizoen gevoelig voor longwormen.

Ontwormen? Mestonderzoek? Vaccinatie? Op de website van de GD staat een handige tool waarmee je kunt bepalen wat je moet doen.

Dossier

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier