Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Fokken met gezonde dieren

Ingediend door jinke op 07 februari 2021 - 13:07

Ongezonde dieren - dieren met een afwijking of dieren die gevoelig zijn voor ziekte - komen voor doordat er bij de keuze van fokdieren niet goed is gelet op erfelijke eigenschappen of de aanleg voor het ontwikkelen van bepaalde aandoeningen. Vaak kun je dat aan de buitenkant niet zien, dus ben je afhankelijk van wat er bekend is over de ziektegeschiedenis van een dier en van familie/voorouders. Het zou mooi zijn als van elk dier een dergelijke ziektegeschiedenis en gegevens over voorouders en familieleden werden vastgelegd. Belangrijk is ook de stelregel: zorg ervoor dat de ouders, grootouders en overgrootouders van elk dier verschillend zijn.

Er bestaan letale factoren (die zijn dodelijk, zoals de buldogfactor bij koeien), sub-letale factoren (het dier is verminderd levensvatbaar) en schadelijke factoren (dier heeft er last van, maar kan er wel oud mee worden). 
Naast erfelijke aandoeningen is genetische aanleg ook van invloed op de weerstand tegen bepaalde ziekten.

Erfelijke aandoeningen bij kippen
Erfelijke aandoening bij kippen zijn te korte poten, gevolg van fokken op kortbenigheid. Of teveel veren aan de poten, waardoor pijn en ontstekingen ontstaan. Er bestaat ook een erfelijke gevoeligheid voor bepaalde oogproblemen.
Fokkers kunnen problemen voorkomen door niet met te jonge dieren te fokken. Gebruik je dieren die wat ouder zijn, dan geef je erfelijke aandoeningen de kans om zich te manifesteren. 

De ziekte van Marek is een voorbeeld van een besmettelijke ziekte, waarbij erfelijke gevoeligheid een rol speelt. Vooral jonge kuikens kunnen zeer gevoelig zijn voor een infectie. Dieren kunnen geselecteerd worden op een hogere weerstand. Het is in elk geval beter alleen te fokken met dieren die geen aanleg hebben voor de ziekte. Er kan tussen kippen, maar ook andere diersoorten, genetisch een groot verschil in ziekteresistentie kan bestaan.

Erfelijke aandoeningen bij konijnen
Zie: https://www.licg.nl/konijnen-en-knaagdieren/overzicht-erfelijke-aandoen…

Fokken op resistentie tegen wormen
Erfelijke afwijking bij schapen is de vrij zeldzame ziekte Microphthalmie, te herkennen aan extreem kleine of compleet afwezige ogen.
Een lijfbieder komt vaker voor. Dit is een schaap met een uitstulping uit de schede. Soms is ook de baarmoedermond te zien als een rozet. Dat verschijnsel doet zich met name voor in de laatste weken van de dracht. Vanwege de erfelijke component, is het beter met dit schaap en haar lammeren niet verder te fokken.

Bij schapen is verder vooral de gevoeligheid voor worminfecties van belang. Uit onderzoek is gebleken dat het fokken op resistentie mogelijk is. Wanneer men gaat fokken op ongevoeligheid voor wormen, zal de totale wormdruk in de koppel verlagen. Uiteindelijk levert dat minder zieke dieren op.

Erfelijke aanleg
De gevoeligheid voor worminfecties bij schapen heeft gedeeltelijk te maken met erfelijkheid. De dieren kunnen een erfelijke aanleg hebben voor een verslechterde weerstand of een verslechterde weerbaarheid. In geval van een verslechterde weerbaarheid, ofwel resilientie, heeft het dier niet het vermogen om in moeilijke omstandigheden goed te kunnen functioneren.
Zowel het aangeboren als het verworven immuunsysteem spelen hier een belangrijke rol in. Het immuunsysteem zorgt ervoor dat er geen infectie kan ontstaan. Het fokken op resistentie, ofwel ongevoeligheid voor wormen, is door de erfelijke aanleg mogelijk. De houder zal moeten fokken op twee verschillende genetische eigenschappen, namelijk weerstand en weerbaarheid.

Fokken op genetische eigenschappen
Wil een houder gaan fokken op resistentie, dan zullen de  dieren met een verslechterde weerstand afgevoerd moeten worden. Voor fokken op ongevoeligheid moet er een genetische selectie plaatsvinden. De selectie zal gaan op basis van de variatie in het fenotype, dat toegeschreven is aan het DNA. De genetische schattingen van de erfelijkheid van resistentie voor worminfecties zijn variabel en afhankelijk van de gemeten fenotype. Het fenotype moet daarom ook betrouwbaar en meetbaar zijn. Wormeitellingen zijn een voorbeeld van het meten van het fenotype. Het onderzoeken van bloedarmoede en de immuunrespons, waaronder worminfecties-specifieke IgA en IgE, kunnen ook dienen bij een genetische selectie. De fenotypes kunnen echter beïnvloed worden door wormsoorten en vroegere blootstelling.

Kortom: gevoelige dieren zijn te herkennen door
• wormeitellingen van individuele dieren op een aantal momenten (resistentie)
• uiterlijke waarnemingen: diarree, bloedarmoede, groei, vitaliteit, etc. (resilientie)

Een selectie op basis van alleen de uiterlijke waarnemingen bevoordeelt de dieren met een grote resilientie. Dit hoeven niet de dieren te zijn met een lage wormei uitscheiding, dus met een grote weerstand. Het fokbeleid zou daarom niet alleen moeten bestaan uit uiterlijke waarnemingen maar ook uit wormeitellingen.

 

NSFO werkt met fokwaarde voor wormresistentie
De NSFO (Nederlandse Organisatie van Schapen- en Geitenfokkers) werkt sinds 2018 aan een fokwaarde voor wormresistentie. Ze selecteren dieren op basis van uitscheiding van wormeitjes. Ook uit het speeksel is op te maken hoeveel antistoffen, oftewel immunoglobulinen (IgA), een schaap tegen wormen heeft. Een dier met een hoge IgA is beter bestand tegen wormen.

Meer dan een derde van de dekrammen die in 2020 zijn ingezet voor stamboekregistratie, is geboren uit een moeder met een fokwaarde voor wormresistentie. Inmiddels hebben meer dan 20.000 schapen hebben een fokwaarde voor wormresistentie. Deze aanpak is vooral interessant voor houders van grote aantallen schapen, die geen gebruik kunnen maken van het zogeheten evasief beweiden. Dit evasieve beweiden, waarbij schapen niet lopen in besmette percelen, waar wormeieren zich hebben ontwikkeld tot larven, is nog altijd de meest effectieve methode om de wormen zonder of met zo min mogelijk ontwormingsmiddelen de baas te blijven. 

Erfelijke aandoeningen bij koeien
Ook bij koeien doen zich erfelijke aandoeningen voor, zoals BLAD en CVM. Bovine Leukocyte Adhesion Deficiency, BLAD, is een genetische afwijking van Holsteinrunderen. Bij deze afwijking zijn de witte bloedcellen afwijkend waardoor deze slecht door de bloedvatwand heen kunnen en moeilijk bij een infectie kunnen komen. Hierdoor genezen infecties slecht. 
Complex Vertebral Malformation, (CVM), is een erfelijke aandoening bij Holstein Friesianrunderen. CVM-gen dragers, hebben een verhoogd risico op terugkomen, vooral op meer dan 25 dagen na dekken. Er kan embryonale sterfte optreden, abortus of doodgeboorte. Als een kalf met CVM geboren wordt, heeft deze een afwijkende wervelkolom en ledematen. 
Klompvoet is een afwijking waarbij beide klauwen met elkaar vergroeid zijn. Het is een erfelijke aandoening die zich op meerdere manieren uit. De afwijking kan aan één of meerdere poten tot uiting komen. ​Cholesterin Defizit Haplotyp (CDH) is een nieuw ontdekte genetische aandoening, die bij Holstein runderen een stoornis in de cholesterolstofwisseling veroorzaakt. 

Erfelijke aandoeningen bij paarden
Sommige ziekten en afwijkingen bij paarden zijn erfelijk. Zoals dwerggroei, herda (een erfelijke huidaandoening), lies- en navelbreuken, de spierziekte HYPP, cornage (verlamming van de stemband) en PL (verschuiving van de knieschijf). Vaak zijn deze aandoeningen rasgebonden. Erfelijk is ook Chronisch progressief lymfoedeem, ofwel CPL, een ongeneeslijke ziekte die de onderbenen van het paard aantast. CPL komt vooral voor bij koudbloeden. Zo zijn Shires, Clydesdales, Duitse koudbloedpaarden en Belgische trekpaarden er erg gevoelig voor. Ook staart- en maneneczeem heeft een erfelijke component.

Dossier

Aanbevolen door Levende Have

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier