Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Groninger Blaarkop

roodbonte blaarkop

De Groninger Blaarkop, al beschreven in de veertiende eeuw, is egaal rood of zwart en te herkennen aan een witte kop en een witte staartpunt. Rondom de ogen hebben de Blaarkoppen zwarte of rode ‘’blaren’’. Deze zijn verbonden met de hals (vaste blaren), of ze komen uitsluitend rond de ogen voor (losse blaren). De onderkant van de buik is eveneens wit, oplopend tot de hals. De benen zijn liefst gekleurd met witte sokken tot de kogels.

In de provincie Groningen bestond aan het begin van de 20e eeuw de veestapel voor negentig procent uit Blaarkoppen. Behalve in Groningen fokte men Blaarkoppen in Zuid-Holland rondom Leiden en de Rijnstreek van Utrecht. Het Nederlands Rundvee Stamboek (NRS) onderscheidde in 1902 het Zwartblaar- en Zwarte Witkop Groninger veeslag. Het NRS weigerde om roodgekleurde dieren te erkennen. Daardoor richtte een aantal fokkers het Groninger Rundveestamboek op in 1908, dat in 1918 de naam Groninger Blaarkop Rundvee Stamboek (GBRS) kreeg. De witkop werd als een minder gewenste tekening beschouwd.

Koeien in de weiden van de lage landen

Doordat het NRS vanaf 1931 de rode blaarkoppen wel weer erkende, nam het ledental van het GBRS af en werd het stamboek uiteindelijk in 1957 opgeheven. Omstreeks 1980 bestond 1 procent van de Nederlandse rundveestapel uit blaarkoppen, hiervan had bijna de helft een rode kleur. Daarna nam het aantal dieren snel af. In 1986 werd het Blaarkop Rundvee Syndicaat opgericht. Er waren toen nog ongeveer 20.000 zuivere dieren. In 1998 was het aantal al teruggelopen tot 1000 koeien en 15 goedgekeurde stieren. Sindsdien staat het ras te boek als zeer kwetsbaar en bedreigd voor de toekomst.

Toch gaat het de laatste tijd weer beter met de Groninger blaarkop. De inteeltoename die jarenlang te hoog was, is sinds begin deze eeuw teruggezakt tot onder de 1%. Die 1% is een internationaal erkende grens. Als een ras daarboven uitkomt, wordt het als ''bedreigd'' beschouwd. De afname van de verwantschap is het gevolg van de inzet van meer stieren. De Blaarkopstichting heeft ervoor gezorgd dat er jaarlijks 140 stieren kunnen worden ingezet. Kruisingen met Holstein-Friesian koeien bieden ook mogelijkheden om het ras toekomstbestendiger te maken. Vrouwelijke kruisingsdieren van drie jaar en ouder, kunnen worden ingezet voor de fokkerij, zodat de populatie uiteindelijk via deze dieren verder kan worden vergroot. 

Behalve melkveehouders, zijn er ook hobbyboeren die dit ras een warm hart toedragen en er mee fokken om het ras te behouden. Door hun rustige, sobere aard en het feit dat de koeien niet al te groot zijn, lenen de Blaarkoppen zich uitstekend als hobbydier. Ook in het buitenland komen runderen voor met de typische blaarkoptekening, namelijk in de Oekraïne en in bepaalde streken van Afrika en Azië. In Engeland zou door kruisingen met witkoppen uit Nederland in de zeventiende eeuw de Hereford zijn typische witte kop hebben gekregen.

Terug naar:

 

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier