Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Fjord

Fjordenpaard voor de kar

Het Noorse Fjordenpaard is al jaren niet meer weg te denken uit de Nederlandse weides. En dat is niet zo vreemd. Hoewel z’n wortels aanzienlijk noordelijker liggen, zou de Fjord heel goed een Nederlands ras kunnen zijn.

De Fjord heeft wel wat van een Hollander: sober, veelzijdig in te zetten, enigszins eigenzinnig en met een keiharde constitutie. Het zijn deze eigenschappen die de Fjord een vaste plek in het uitgebreide Nederlandse dierenlandschap heeft bezorgd. Het aantal geregistreerde Fjorden is al jaren vrij constant, zo rond de 9500. Zelfs als je niet meteen gecharmeerd bent van het opvallende uiterlijk met de rechtopstaande manen en het goudgele velletje, is de goede gezondheid een flinke pré. Paarden houden is immers geen goedkope bezigheid. Dus wil je, als je de stap naar een eigen paard eenmaal hebt gezet, daar ook optimaal van profiteren. Het liefst een flink aantal jaren lang. Dat kan alleen als het dier goed gezond is.

De Fjord is een recreatiepaard bij uitstek. Hij is zowel prima onder de man als aangespannen te gebruiken en daardoor uitermate geschikt voor het hele gezin. Daarnaast draait menig Fjord goed mee in verschillende takken van de basis wedstrijdsport. Dressuur, springen, endurance, western: het slimme bergpaardje kan het allemaal, binnen zekere grenzen uiteraard. Zoals meestal bij een echte ‘allrounder’ is de veelzijdigheid z’n grootste kracht. Een Fjord in de topsport komt dan ook zelden voor, alhoewel het wel gebeurt.

Rasomschrijving
Het Fjordenpaard is een klein paard met een stokmaat tussen de 1.38 en 1.45 meter. Het heeft een sprekend hoofd, met een breed voorhoofd, grote heldere ogen en scherpe wangbeenderen. De neuslijn is iets ingedeukt en de oren zijn klein en kort, staan breed uit elkaar en rechtop. De hals is gespierd, maar wel met voldoende lengte en souplesse. De schoft is vlak en gespierd, de rug middellang en eveneens goed gespierd. Het kruis is mooi afgerond, mag een weinig smal zijn, maar zeker niet te vlak. De benen zijn krachtig en droog. Het voorbeen mag een wat Franse stand hebben, maar niet toontredend zijn. Het achterbeen kent een enigszins gebogen spronggewricht. De kleur is de zogenaamde wildkleur, in verschillende tinten. Rastypisch is de aalstreep vanuit de maantop, over de rug tot in de staart. Graag gezien zijn een meelsnuit (lichte snuit) en zebrastrepen aan de benen. (1)
(1) Kwaliteit sterkste troef van veelzijdig werk- en recreatiepaard, A. Wijnstra, Levende Have december 2008.

Terug naar:

 

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier