Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Positieflijst

Op aanraden van de Positieflijst Advies Commissie zijn er 123 diersoorten op de positieflijst zoogdieren geplaatst. Deze dieren mogen vanaf 1 juli 2017 in Nederland worden gehouden. 

Ruim 150 soorten, zoals de reuzenkangoeroe, het sikahert, de Indische muntjak, de zeboe en rendieren mogen vanaf die datum niet meer worden gehouden. Er geldt wel een overgangsregeling. De dieren die er al zijn, hoeven niet weg. 

Alleen die diersoorten die met een minimaal tot gering risico op welzijnsaantasting en gevaar voor de mens gehouden kunnen worden, en zonder specialistische kennis of vaardigheden van de houder, staan op de positieflijst zoogdieren (zie bijlage aangewezen diersoorten). De positieflijst is tot stand gekomen na een technische beoordeling door een Positieflijst Expert Commissie (PEC) en een risico-inschatting door de Positieflijst Advies Commissie (PAC). De afgewezen diersoorten vallen in de risico-categorie A,B en C. Bij soorten in deze categorieen is het risico op aantasting van dierenwelzijn, diergezondheid en letselschade matig tot zeer groot. Bij de aangewezen soorten in de categorie D en E is het risico gering of verwaarloosbaar.

Houderijvoorschriften
De categorie D (115 soorten) stelt wel eisen aan de houderij. Er ligt nog een motie van SP-kamerlid Van Gerven, die pleit voor de invoering van houderijvoorschriften. De PAC vindt dat bij dieren in de categorie D naast maatregelen om zoönosen te beheersen, kan worden volstaan met (beperkte) houderijvoorwaarden (algemene instructies). Alleen acht muizen- en hamstersoorten vallen in categorie E en kunnen zonder voorschriften worden gehouden.

Het besluit van Van Dam laat het opstellen van houderijvoorschriften over aan de houders zelf. ''De voorgestelde houderijvoorschriften wil ik in dit stadium nog niet verplicht stellen, maar eerst in dierenbijsluiters opnemen. Ik wil de sector en houders eerst de ruimte bieden om zich bewust te worden van de juiste wijze waarop dieren moeten worden gehouden. Deze bewustwording draagt bij aan de mate waarin de maatregelen in de praktijk zullen worden toegepast en daarmee de beoogde welzijnsverbetering. Hiermee geef ik de houders, houderij-organisaties en brancheorganisaties de kans om zelf hun verantwoordelijkheid te nemen.''

Afwegingsmodel
Behalve de vraag of het technisch mogelijk is een bepaalde diersoort te houden en in hoeverre het welzijn wordt aangetast, komt er ook steeds meer aandacht voor de ethische kant van dit vraagstuk. Daarbij speelt een toenemende aandacht voor de intrinsieke waarde van het dier een rol. Het ministerie van EL&I heeft samen met het Ethiek Instituut van de Universiteit van Utrecht een project Rechtvaardiging voor het houden van dieren opgezet (voor het eindverslag zie bijlage). Dit project heeft geresulteerd in een afwegingsmodel waarmee dierhouders en hun organisaties de discussie over het al dan niet houden van bepaalde diersoorten in goede banen kunnen leiden.