Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Bonte geit heeft bonte stoet voorouders

Ingediend door jinke op 12 april 2011 - 09:34

Levende Have, februari 2010

Tekst: Marion van 't Land
Foto's: Jan Smit/Dierenbeeldbank

De ‘witte met een kleurtje’ op weg naar erkenning als zeldzaam ras
Bonte geit heeft bonte stoet voorouders

De geschiedenis van de Nederlandse Bonte Geit is er een van vallen en opstaan: het ene moment populair, het volgende moment bijna verdwenen. Het is ook het verhaal van hoe het ras in een eeuw kon veranderen: van een gedrongen landgeit naar een gerekte, koebonte melkgeit.

Bijna alle bonte dieren zijn ontstaan uit éénkleurige dieren. Zo ook bonte geiten. “De bontfactor heeft altijd bestaan bij geiten, maar bonte dieren overleefden eenvoudigweg niet in het wild”, zegt Martien Mattheeuwse, inspecteur van de Nederlandse Organisatie voor de Geitenfokkerij (NOG). “Pas toen mensen geiten gingen houden voor het vlees en de melk, bleven de bonte exemplaren leven.”

Op Noord-Europese afbeeldingen uit de Middeleeuwen zijn al bontgekleurde geiten te zien. Dat ging toen nog om inheemse landrassen: niet al te grote, gespierde geiten met korte poten. De meeste waren gehoornd. De kortharige vacht kwam in allerlei kleuren voor, maar vooral in vaal, vaalbont, zwartbont en grijsbont.

De bonte geiten waren lange tijd zeer geliefd. Ze waren vruchtbaar en sober, gingen lang mee, hadden een goede weerstand en waren niet erg vatbaar voor de beruchte tuberculose. Hun melk was erg voedzaam door het hoge vetgehalte. De hoeveelheid melk – metingen uit 1913 zeggen: zo’n 450 kg per jaar – bleef echter achter in vergelijking met die van vele buitenlandse melkrassen.

Zwitserse bokken
Ruwweg een eeuw geleden begonnen Noord-Europese geitenhouders zich te interesseren voor enkele alpenrassen, met name de Saanengeit en in mindere mate de Alpinegeit. Er werden Zwitserse bokken geïmporteerd. En jawel, hun nakomelingen bleken meer melk te geven dan de landrassen. Vrijwel heel Nederland ging over op witte, hoornloze geiten. Mattheeuwse: “Alleen in Zeeland en Zuid-Holland werd veel minder op wit geselecteerd. Daar werden bonte dieren veelal aangehouden. In de volksmond werden ze ‘Zeeuwse landgeit’ genoemd, met, afhankelijk van de provincie, als kleurslag ‘Zeeuwse koebonte’, ‘Hollandse bonte’ of ‘Hollandse koebonte’.” Tussen 1915 en 1945 werden bontgekleurde geiten nog op keuringen uitgebracht, maar alleen als aparte categorie: ‘Saanen, gekleurd’.” Deze bonte dieren waren steeds vaker hoornloos.

Hobbyfokkerij
In de jaren ’60 en ’70 kwam de hobbygeitenhouderij op. In die tijd mochten slechts witte, hoornloze geiten (en Toggenburgers) in het stamboek. In Zuid-Holland en Zeeland liepen weliswaar nog steeds bonte dieren rond, maar zij werden nergens erkend en ook niet meer uitgebracht op keuringen. Een paar enthousiaste fokkers startten een populatie bonte geiten op, waaruit de ons nu bekende Nederlandse Bonte geit is voortgekomen. In 1980 opende de NOG een stamboek en registerboek voor ongehoornde Bonte geiten.

“In die tijd werd nog vaak de vraag gesteld wat de Bonte geit nu eigenlijk was: een melkgeit of een landgeit – toen nog Veluwse geit genoemd”, zegt Mattheeuwse. De populatie was dan ook nogal divers qua type en zeer wisselend in kleur en aftekening. Alles wat maar enigszins bont was, werd aangehouden, ook dieren met schimmelaftekening, met het nu verboden Toggenburgermasker en fokonzuivere witte dieren. Als er uit een witte geit een lam met een minuscuul vlekje werd geboren, dan heette het al ‘bont’, terwijl ook Alpine voorouders dat kleurtje konden hebben veroorzaakt. Zelfs dieren met ‘afkomst onbekend’ werden erkend. Soms werd gebruik gemaakt van witte bokken om het bonte ras te verbeteren op melkgift. Mattheeuwse: “Daarin kon de Nederlandse Bonte geit nog bij lange na niet tippen aan de Nederlandse Witte geit.”.

Melktype
Tussen de jaren ’80 en nu is de Bonte geit echt richting melktype ontwikkeld. Er ontstond één uniform melktype, met een verbeterd uier, een gerekte bouw en fijnere benen. Mattheeuwse: “De Bonte geit is een ‘witte met een kleurtje’ geworden. Dat wil niet zeggen dat het ras in zijn geheel op melk kan wedijveren met de Witte melkgeit, maar individuele goede Bonte geiten kunnen dat al wel.” Bonte geiten mogen alleen zwartbont of bruinbont zijn, het liefst met scherp begrensde aftekeningen. Toch zijn kleur en tekening voor keurmeesters minder belangrijk dan type, uier en benen. “Eerst bouwen, dan pas verven”, heet dat.

De fokcommissie Nederlandse Bonte geit houdt zich nu bezig met de verdere definiëring van een ‘true type’, oftewel de beschrijving van de ideale Bonte Geit. Die moet hoogbenig, krachtig en gerekt zijn en in alles een melkuitstraling hebben. Dat betekent niet dat niet-ideale geiten nutteloos zijn, zegt Mattheeuwse. “Een dier kan heel rastypisch zijn, maar onvoldoende melktypisch. Of andersom. Die verschillen zijn nodig om van daaruit verder te fokken richting steeds meer uniformiteit van het ras.”

Zeldzaam ras
Een decennium geleden ging het nog heel aardig met de Nederlandse Bonte geit. Zo’n 5500 dieren stonden toen ingeschreven bij het stamboek. De MKZ-crisis van 2001 bracht de ommekeer; veel hobbygeitenhouders hielden het voor gezien door verzwaarde regelgeving en dierziektedreiging. In 2008 stonden nog slechts 1102 bonte geiten, 89 bokken en 501 lammeren geregistreerd. Inmiddels is er weer een lichte stijging te zien, maar hard gaat het niet. De Stichting Zeldzame Huisdierrassen heeft de Bonte geit inmiddels erkend als zeldzaam ras.

Bokkenprobleem
Nederlandse Bonte geiten zijn zowel in de stallen van professionele geitenhouders als in die van hobbygeitenhouders te vinden. Dat lijkt een pluspunt voor een gezond voortbestaan van het ras. Maar er schuilt ook een probleem in. Professionals willen vooral een geit met een hoge melkgift, hobbyisten vinden uiterlijk, stamboeklijnen of karakter vaak minstens zo belangrijk. Dat is nogal een verschil in uitgangspunt bij de fokkerij.
Bijkomend probleem: bijna alle bonte bokken zijn eigendom van hobbyboeren. Dat komt door het ‘open’ stamboekbeleid. Alle vrouwelijke bonte dieren die voldoen aan de rasstandaard, dus ook bonte geitlammeren uit twee witte ouders, mogen worden opgenomen in het stamboek. Voor een bok daarentegen geldt dat hij twee bonte ouderdieren moet hebben. Elke commerciële geitenhouder zal echter kiezen voor witte dekbokken in zijn koppel, want bonte bokken uit melkrijke (professionele) lijnen zijn er nog niet. En die komen er zo ook niet, want bonte boklammeren met een witte vader worden niet erkend. Een vicieuze cirkel.
De Fokcommissie Bont ijvert nu voor serieuze inzet van de Bonte geit op de commerciële geitenbedrijven. Daarvoor zijn nakomelingenonderzoek van dekbokken en melkmetingen bij hun moeders nodig. Maar helaas, de dekbokken van hobbyisten dekken meestal te weinig om veel zinnigs te kunnen zeggen over hun nakomelingen. En de hobbygeitenhouders die het gedoe en de kosten van melkcontrole voor lief willen nemen, zijn ook dun gezaaid.
Het ras zit in een spagaat: de hobbydierhouders hebben de – deels nauw verwante – bokken, de commerciële geitenhouderijen de grote aantallen geiten om de populatie gezond te houden. Enig heil wordt nu verwacht van de zogenoemde nucleusfokkerij, waarbij hobbyist en professional de handen ineenslaan. Een nucleus wordt gevormd door potentiële topdieren samen te brengen en onder dezelfde omstandigheden te testen en vergelijken. De nakomelingen van de beste dieren worden dan op proef als bokmoeder of dekbok ingezet.

Verschenen in

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier