Vogelgriep uitgebroken!

Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Vitaminen en mineralen voor schapen

Schapen met mineralenblok

Schapen krijgen voldoende vitaminen en mineralen binnen via gras en hooi. Soms is het hooi echter van matige kwaliteit en kan het nodig zijn vitaminen en mineralen aan te vullen via een mineralenblok of een mineralenemmer. Een aantal mineralen kan - bij een tekort of een overschot - gezondheidsproblemen veroorzaken. Sommige mineralen zijn van invloed op elkaar.

Kobalt
Een herkauwer produceert vitamine B12 in de pens als het aangeboden voer kobalt bevat. Vitamine B12 wordt vanuit de dunne darm opgenomen in het bloed. Een tekort aan vitamine B12 ten gevolge van een tekort aan kobalt kan onvoldoende groei of achteruitgang in conditie bij lammeren veroorzaken. Lammeren met een tekort aan kobalt-/vitamine B12 kunnen ook een verlaagde weerstand en een verhoogde gevoeligheid voor infectieziekten hebben. Bovendien zijn ze gevoeliger voor maagdarmworminfecties.

Koper
Koper is van invloed op de samenstelling van het bloed, de ontwikkeling van de botten, de wolgroei, de pigmentatie van gekleurde wol en haren, en de vorming van de myelineschede rondom de zenuwbanen. Kopergebrek kan leiden tot een verminderde groei en bloedarmoede bij lammeren. Bij oudere schapen kunnen vermagering, verminderde eetlust, bloedarmoede, diarree, verminderde vruchtbaarheid en een droge en dorre vacht optreden. Daarbij gaat de ‘krul’ of ‘crimp’ uit de wol verloren en lijkt de wol meer op haar. Engelsen noemen dit ‘steely wool’. Een ooi met een gebrek aan koper, kan dit gebrek doorgeven aan haar lammeren. De bekendste, door kopergebrek veroorzaakte aandoening, doet zich voor bij lammeren die ook wel zwaaigatten of zwaaiers worden genoemd.

Een tekort aan koper kan ontstaan doordat het voer te weinig koper bevat. Ook kan het zijn dat het voer voldoende koper bevat, maar dat het schaap deze stof niet goed in het lichaam opneemt. Bekende stoffen die de benutting van koper verminderen, zijn molybdeen, zwavel, zink, ijzer, cadmium, calcium en lood.

In een koppel schapen met kopergebrek gedurende de dracht kunnen te veel lammeren dood worden geboren. Bij de overlevende lammeren lopen de verschijnselen uiteen. Een deel van de lammeren is klein en zwak en kan niet staan en drinken. Een ander deel heeft coördinatiestoornissen in de achterhand die variëren in ernst. Soms is alleen sprake van een wankele, onzekere gang in de achterhand. In ernstige gevallen is de achterhand geheel of gedeeltelijk verlamd, knikt het lam door de gewrichten en is opstaan en lopen bijna onmogelijk.

Rundveebrok bevat meer koper dan schapenbrok. Bedenk ook dat er tussen de verschillende rassen grote verschillen in koperbenutting uit het voer bestaan. De Texelaar is een uitstekende koperbenutter en is daarom erg gevoelig voor kopervergiftiging. Het Drents Heideschaap en het Fins Landschaap daarentegen benutten van het aangeboden koper veel minder en zijn daarom gevoelig voor kopergebrek. Kruisingen van de diverse rassen zitten voor wat betreft de koperbenutting tussen de uitgangsrassen in.

Molybdeen
Molybdeen wordt vaak in één adem genoemd met koper: molybdeen heeft met zwavel een sterk remmend effect op de koperopname door het dier. Molybdeen speelt onder andere een rol bij de nitraatstofwisseling in de pens. Op grond met een hoge pH bevat het gras meer molybdeen en minder koper. Daar zou dus de oorzaak kunnen liggen van een tekort aan koper bij je schapen.

Selenium
Selenium komt in alle cellen en vloeistoffen van het lichaam voor, met de hoogste concentraties in lever, nieren en spierweefsel. Dieren die alleen ruwvoer krijgen, kunnen een te laag seleniumgehalte hebben, maar dieren die volop krachtvoer krijgen kunnen weer teveel selenium in hun lichaam hebben.

Een tekort aan selenium leidt tot spierbeschadiging en wordt ook wel witte spierziekte, white muscle disease of stiff lamb disease genoemd. Naast problemen met de lichaamsspieren kan ook de hartspier worden aangetast (acute hartstilstand) en kunnen problemen van de tussenribspieren leiden tot ademhalingsproblemen. Verder kunnen aantasting van de lever, verminderde weerstand tegen infecties, bloedarmoede, verminderde vruchtbaarheid en vroeg-embryonale sterfte optreden. Bij aantasting van de spieren in de tong kunnen de lammeren moeilijk drinken.

Bij een overmaat aan selenium, kunnen daling van de eetlust, groeivertraging, leverbeschadiging, gestoorde vruchtbaarheid, haaruitval en kreupelheid ontstaan. Bij een grote overdosis worden de dieren blind. Deze schapen gaan telkens staan en weer liggen, knarsetanden, speekselen en vertonen koliekachtige verschijnselen.

Vitamine E
Vitamine E (alpha-tocopherol) is van invloed op de totale energiestofwisseling. De behoefte aan vitamine E neemt toe als het dieet veel onverzadigde vetzuren en/of weinig selenium bevat.
Vitamine E komt voor in gras, kuil, granen en verschillende andere voedingsmiddelen. In slecht gewonnen of oud hooi, maissilage en gemalen of lang bewaard mengvoer kan het vitamine E-gehalte sterk teruglopen.
Vitamine E en selenium vullen elkaar aan bij de bescherming van cellen tegen peroxiden en vrije radicalen die tijdens de stofwisseling ontstaan.

Calcium
Calcium is een van de belangrijkste mineralen in onze botten. Daarnaast speelt calcium een belangrijke rol bij het samentrekken van onze spieren, niet alleen de lichaamsspieren maar ook de spieren in het maagdarmkanaal en de baarmoeder. Belangrijk bij de botstofwisseling is de samenhang tussen calcium, fosfor en vitamine D. 
Als bij een drachtig dier aan het einde van de dracht het calciumgehalte in het bloed teveel zakt, beïnvloedt dat de werking van de baarmoeder. De geboorte komt dan niet op gang of stagneert. Als het betreffende schaap in zo’n geval een calciuminfuus krijgt, treedt snel herstel op. Let wel op: als de stagnerende geboorte aan iets anders is te wijten en het schaap krijgt in zo’n geval ten onrechte calcium toegediend, dan kan het dier hier aan dood gaan.

Fosfor
Fosfor is net als calcium een belangrijk mineraal. Net als bij calcium kan de enorme voorraad in het botweefsel als buffer dienen. Pas bij enorme tekorten of overschotten in de voeding ontstaan er problemen. Bij een tekort kunnen bij jonge dieren botstofwisselingsproblemen ontstaan en bij een overmaat in het rantsoen kunnen bijvoorbeeld bij rammen die veel krachtvoer gevoerd krijgen, blaasstenen ontstaan. Een tekort of een overmaat is niet eenvoudig door bloedonderzoek vast te stellen. Op basis van bestaande normen is berekening van de hoeveel in het rantsoen een betere maat.

Magnesium
Net als bij calcium en fosfor is ook bij magnesium verreweg het grootste deel van de lichaamsvoorraad opgeslagen in het botweefsel. Problemen in geval van een tekort doen zich eerder voor bij oudere dan bij jonge dieren. Magnesium en calcium spelen een belangrijke rol bij de prikkelgeleiding in het zenuwstelsel en bij het samentrekken van spieren. Verder speelt magnesium een rol bij de stofwisseling van vitamine D.
Bij schapen die een tekort hebben kan een stressfactor plotseling kopziekte veroorzaken en dat heeft niet zelden de dood van het schaap tot gevolg. Omdat bij een mogelijk tekort meerdere, vooral oudere en melkgevende ooien in dezelfde situatie verkeren, heeft het zin om van minimaal vijf schapen bloed af te nemen en te late onderzoeken.
Een hoog kaliumgehalte van het rantsoen remt de benutting van magnesium, net als een hoge natriumbemesting. Een overmaat aan magnesium geeft niet snel problemen maar kan aanleiding zijn tot diarree.

Natrium
Ook natrium wordt opgeslagen in de beenderen, hoewel het percentage lager is dan bij calcium, fosfor en magnesium. Natrium speelt een belangrijke rol bij de instandhouding van de waterbalans en het zuur-base evenwicht. Een gebrek is te herkennen aan een verminderde voeropname, een verlaagde productie en soms in likzucht. Het stellen van een diagnose is lastig, omdat deze verschijnselen ook bij andere aandoeningen op kunnen treden. Ook de gretige opname van zoutlikblokken is geen bewijs van een tekort: sommige dieren nemen deze blokken graag op, ook als ze geen tekort hebben. Een overmaat aan natrium treedt ook niet snel op zolang voldoende drinkwater beschikbaar is.
Bij een natriumtekort zal de concentratie in het speeksel dalen, maar tegelijk gaat het kaliumgehalte omhoog. Veranderingen in deze concentraties zijn al aan te tonen voordat klinische verschijnselen optreden. Voor het nemen van speekselmonsters zijn speciale sponsjes beschikbaar bij de dierenarts.

Kalium
Kalium is een mineraal dat bij dieren voornamelijk voorkomt in spierweefsel en nauw betrokken is met het functioneren van spieren en zenuwen. Ook speelt kalium, net als natrium, een belangrijke rol bij de instandhouding van het zuur-base evenwicht. Van het in het rantsoen aangeboden kalium wordt een heel hoog percentage ook daadwerkelijk in het lichaam opgenomen.
Indien meer kalium wordt opgenomen dan nodig is, wordt het overtollige deel via de urine uitgescheiden. Een echte overmaat waarbij verschijnselen gaan optreden zoals speekselen, verhoogde wateropname en urineproductie en dunne mest, is onwaarschijnlijk. De kaliumbehoefte van herkauwers wordt met een kaliumgehalte van 8 gram per kilogram drogestof volledig gedekt. Het kaliumgehalte van graslandproducten is meestal hoger, zodat een kaliumgebrek in Nederland zeer onwaarschijnlijk is.
Het belangrijkste effect van een te hoge opname van kalium is een verlaagde benutting van magnesium en daardoor een grotere kans op kopziekte. Die kans wordt verder vergroot, omdat een te hoge kaliumtoestand van de grond ook een negatief effect heeft op de opname van magnesium door de plant en ook op de opname van natrium en calcium. Zorg ervoor dat het kaliumgehalte in het gras niet hoger is dan noodzakelijk voor een goede grasproductie.

Chloor
Chloor Is van belang voor de vorming van zoutzuur in de maag. Overtollig chloor wordt uitgescheiden in de urine. Bij een tekort aan chloor zijn de nieren in staat om de uitscheiding tot bijna nul te reduceren. Bij een tekort aan chloor zal de hoeveelheid chloor in de urine dus zeer laag zijn. Toch geeft het chloorgehalte in het bloed de beste indicatie. Tekorten en overmaten aan chloor doen zich niet vaak voor.

Zwavel
Voor een goede pensfermentatie hebben herkauwers zwavel nodig en onvoldoende aanbod van zwavel leidt uiteindelijk tot een verminderde pensfermentatie, een lagere voeropname en een lagere productie. Een hoge opname van zwavel leidt tot een overschot aan sulfide in het penssap en daardoor neemt de pensactiviteit af en daardoor de voeropname en productie. Een te hoge opname van zwavel vanuit de pens kan ook leiden tot CCN, cerebrocorticale necrose. Bovendien heeft een te hoge zwavelopname een negatief effect op de benutting van koper.

Jodium
Jodium is een belangrijk mineraal dat gelukkig niet voor veel problemen zorgt: te veel en te weinig jodium komt niet vaak voor. De opname van jodium vanuit het rantsoen verloopt zeer efficiënt en vindt vooral plaats in pens en boekmaag.
De schildklier heeft jodium nodig voor de productie van schildklierhormonen. Deze hebben invloed op de snelheid van de stofwisselingsprocessen van het dier. Een jong dier heeft een hogere stofwisseling, zodat ook de behoefte aan jodium van een jong dier groter is dan van een volwassen dier. Ook bij drachtige en melkgevende dieren is de jodiumbehoefte verhoogd. Een tijdelijk tekort aan jodium wordt opgevangen door een efficiënter gebruik van jodium en door het aanspreken van de jodiumreserves in de schildklier. Bij een langdurig tekort wordt er minder schildklierhormoon geproduceerd met als gevolg verminderde groei, verminderde weerstand, afwijkende dracht, verminderde productie en schildkliervergroting. Bij lammeren die met deze afwijking worden geboren kan de vergroting zo uitgesproken zijn dat ze snel na de geboorte sterven door ademnood.

Zink
Zink is een belangrijk bestanddeel van een groot aantal enzymen die nauw betrokken zijn bij het functioneren van de huid, het haar, het botweefsel, de geslachtsorganen en de klauwen en bij de lengtegroei. Daarnaast is zink belangrijk voor de eetlust, de groei, de voederconversie en het afweersysteem. De voorraad zink in een dier is vooral aanwezig in spierweefsel en botten.
In Nederland is een zinkgebrek bij schapen erg onwaarschijnlijk, daar het voer ruim voldoende zink bevat. Ik kan mij tot nu toe maar een geval van zinkgebrek bij een schaap herinneren; het betrof een geïmporteerd schaap. Ook verschijnselen door een overmaat aan zink zijn niet te verwachten, want de marge tussen behoefte en toxiciteit is zeer ruim. Hoge zinkgehaltes in het rantsoen kunnen een verminderde koperopname veroorzaken.
Bloedonderzoek geeft een goede indicatie van de zinkstatus van een dier hoewel zieke dieren soms verlaagde bloedwaarden vertonen.

Mangaan
Hoewel mangaan in het dier een aantal belangrijke functies heeft en betrokken is bij de vorming van been en kraakbeen en het functioneren van het geslachtsapparaat, is relatief weinig bekend over de manier waarop de mangaanstatus van een dier kan worden bepaald. Bij problemen wordt daarom meestal het mangaangehalte in het rantsoen als maat genomen. Een tekort en een overmaat komen overigens, voor zover bekend, niet veel voor. De belangrijkste verschijnselen van een mangaantekort zijn verminderde groei, skeletafwijkingen en vruchtbaarheidsproblemen.

IJzer
IJzer is nodig voor de vorming van haem, de bouwsteen van de eiwitten haemoglobine, de rode bloedkleurstof in de rode bloedcellen en myoglobine in spierweefsel. Beide eiwitten spelen een belangrijke rol in het transport van zuurstof.
Daarnaast speelt ijzer een rol bij de energiehuishouding. Vrijwel alle voedermiddelen bevatten van nature of door verontreiniging zo veel ijzer, dat een gebrek bij oudere lammeren en schapen onwaarschijnlijk is. Bij een verdenking van een ijzertekort geeft bepaling van het haemoglobinegehalte van het bloed een eerste aanwijzing maar een te lage waarde hoeft niet op ijzertekort te wijzen.
Lammeren worden met een geringe ijzerreserve geboren. Als de melkvoeding of kunstmelk onvoldoende ijzer bevat, ontwikkelen de lammeren vrij snel bloedarmoede. Ook bij ernstig bloedverlies gaat veel ijzer verloren en kan een tekort aan ijzer ontstaan. Bloedarmoede gaat gepaard met bleke slijmvliezen, verhoogde hart- en ademfrequentie en verminderde groei. De dieren zijn vatbaarder voor infecties. Een overmaat aan ijzer is in ons land geen probleem.

Nitraat en nitriet
In de pens wordt nitraat door het molybdeen bevattende enzym nitraatreductase omgezet in nitriet en deze stof wordt door de penswand in het bloed opgenomen. Te veel nitraat leidt tot een bruinverkleuring van het bloed en de slijmvliezen, suf worden en trillen, een snelle pols en een geforceerde ademhaling. Als het dier sterft, gebeurt dat binnen één uur na de eerste verschijnselen. Geconserveerde grasproducten met vergelijkbare nitraatgehaltes zijn gevaarlijker dan vers gras omdat in geconserveerde producten de celmembranen niet meer intact zijn en nitraat veel sneller in de pens beschikbaar komt. Een overdreven bemesting moet worden vermeden, zeker in het najaar. Bij verdacht voer moet de kleur van de slijmvliezen vanaf 1 uur na het voeren worden gecontroleerd.
Bron: GD

Terug naar:

 

Lekker winkelen zonder zorgen - Gratis verzending en retour