Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Coccidiose bij schapen

Coccidiose bij lam

Coccidiose treedt bij schapen vooral op bij een dichte bezetting en intensieve schapenwei , op een leeftijd van 6 tot 8 weken, als de bescherming van de moedermelk wegvalt. Er is sprake van een infectie met coccidiën, die als oöcysten worden opgenomen op stal of in de weide.
EéncelligenCoccidiën zijn ééncellige micro-organismen, die de bekledende cellen van de darmwand aantasten. De coccidiën dringen de darmcellen binnen, die daardoor beschadigd raken, waardoor inwendig bloedverlies kan optreden. Dit bloed ondergaat in het darmkanaal vertering, waardoor de mest donker tot zwart gekleurd wordt. Door het bloedverlies kunnen de dieren bleek worden en verzwakken en vermageren. Tengevolge van de diarree staan zij nodeloos te persen. Soms treedt sterfte op. Het lijkt erop dat de infectie in toenemende mate voorkomt.

Vermenigvuldigen
De coccidiën kunnen zich in de darmwand in hoog tempo vermenigvuldigen. Ongeslachtelijk door directe deling, maar ook geslachtelijk door manlijke en vrouwelijke exemplaren, waarbij grote hoeveelheden eieren of oöcysten (soms honderd duizenden per gram mest) vrij komen, die de stalbodem of de weide weer besmetten.
Kenmerkend voor deze oöcysten is dat zij zeer resistent zijn tegen uitwendige invloeden zoals koude, hitte of (chemisch) ontsmetten.

Diagnose
De diagnose kan gesteld worden door het uitvoeren van microscopisch onderzoek van de mest. Hierin zijn de oöcysten soms in zeer grote hoeveelheden zichtbaar. Onder de microscoop ogen ze als kleine roze doorschijnende bolletjes, voorzien van een stevige wand. Het aantal oöcysten is geen maat voor de ernst van de infectie. Bij dit onderzoek worden vaak eveneens wormeieren aangetroffen, die vanzelfsprekend ook en eventueel gelijktijdig bestreden moeten worden.

Behandeling
Is er eenmaal sprake van een zware infectie dan worden de lammeren gemakkelijk jaar op jaar besmet en moeten er dus preventieve maatregelen genomen worden in de vorm van behandeling of door middel van andere huisvesting of een ander beweidingschema.
De behandeling van coccidiose bestaat uit het via de bek toedienen van Vecoxan (diclazuril) of Baycox Sheep (toltrazuril) in een dosering van 1 ml per 2,5 kg lichaamsgewicht. Beide middelen zijn enkel geregistreerd om preventief (ter voorkoming) in te zetten. Curatief (ter behandeling) inzetten is niet geregistreerd en levert ook minder goede resultaten op. Vecoxan werkt ongeveer twee weken terwijl Baycox Sheep ongeveer 5 weken werkt. Tijdens deze periode bouwen de lammeren actief weerstand op.
Aangezien coccidiose een koppelziekte is moeten alle (jonge) dieren van dezelfde leeftijd gelijktijdig behandeld worden en het liefst op een moment dat de schade ten gevolge van vermagering of sterfte nog niet begonnen is.
Bij goede behandeling, dat wil zeggen voordat de verschijnselen zichtbaar zijn, ontwikkelen de lammeren weerstand, waardoor zij later geen last meer van de ziekte hebben. Wel kunnen zij als volwassen dieren opnieuw oöcysten uitscheiden en zodoende volgende generaties besmetten. In geval van een zware besmetting kan een tweede behandeling noodzakelijk zijn.
In het verleden werden ter voorkoming van de infectie middelen zoals monensin en amprolium door speciale brokken gemengd om de lammeren langdurig te kunnen behandelen. Deze middelen zijn niet meer geregistreerd en dus niet meer toegestaan.
De wachttijd voor Vecoxan bedraagt nul dagen; voor Baycox Sheep is dit 42 dagen. Ook bij andere diersoorten, zoals konijnen, kalveren en pluimvee komt coccidiose voor, die heel andere specifieke verschijnselen veroorzaken.

Terug naar:

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier