Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Chlamydophilia

Chlamydia abortus is een van de onaangenaamste veroorzakers van besmettelijk verwerpen. De bacterie kan zorgen voor een ware abortusstorm op het schapen- of geitenbedrijf, waarbij dan de ene na de andere ooi of geit verwerpt.
Daarbij bestaat tevens het gevaar dat de schapen- of geitenhouder zelf besmet raakt met de kiem. Meestal verloopt de besmetting bij de mens zonder verschijnselen. Voor zwangere vrouwen is het echter raadzaam uit de buurt blijven van (ver)werpende dieren. Zij lopen bij een besmetting met Chlamydia de kans hun ongeboren kind te verliezen en ernstig ziek te worden.

Explosie van ziektekiemen
Besmette ooien en geiten zorgen bij het (ver)werpen voor een enorme explosie van ziektekiemen in hun omgeving. Hierdoor besmetten zij gemakkelijk koppelgenoten en dieren in aangrenzende weides, maar ook mensen. De ooi of geit zelf is meestal niet of nauwelijks ziek.
Dieren die laat in de dracht besmet raken, brengen meestal nog een ogenschijnlijk gezond lam ter wereld. Maar het volgende aflamseizoen kan dramatisch verlopen.

In het eerste jaar na infectie verwerpt soms wel de helft van de dieren. Een deel van de lammeren die levend wordt geboren, is vaak zwak. Na het eerste jaar stabiliseert de ziekte zich in het koppel. Vanaf dan verwerpen in de regel alleen nog de eerstejaars en pas aangekochte dieren. De infectie gaat niet vanzelf weg en de dieren blijven een besmettingsbron, vooral in de aflamperiode.

Advies
Direct volgend op een bevestiging van een eerste uitbraak, kunnen alle nog drachtige dieren tot het einde van de dracht, eventueel herhaaldelijk, worden behandeld met oxytetracycline (20 mg/kg, parenteraal) met een interval van 10 tot 14 dagen
Tijdens de aflamperiode moeten drachtige dieren en dieren die hebben geaborteerd van elkaar worden gescheiden. Het gaat hierbij niet alleen om direct diercontact maar ook om indirect contact.
Geadviseerd wordt bij voorkeur gedurende minimaal één jaar geen ooi- of geitelammeren aan te houden die geboren zijn in het jaar van de eerste abortusuitbraak. Hetzelfde geldt voor overlopers (eenjarigen die niet hebben afgelamd).
Indien de eerste uitbraak optreedt aan het einde van de aflamperiode kunnen het jaar daarop de ooien of geiten die tijdens de eerste uitbraak niet hebben geaborteerd, alsnog verwerpen. Vaccineer aan te kopen dieren daarom voordat zij aan het koppel worden toegevoegd. Geen aankoop blijft altijd de beste preventieve maatregel.
Raadzaam is ooien of geiten die hebben geaborteerd, het dekseizoen daaropvolgend apart te weiden of huisvesten en te laten dekken door een ram of bok die geen andere ooien of geiten dekt. Een deel van deze ooien of geiten kan namelijk tijdens de bronst opnieuw Chlamydophila abortus uitscheiden. De kans bestaat dat rammen of bokken deze infectie overbrengen.

Antibiotica
Tijdens de aflamperiode volgend op de eerste abortusuitbraak, kan het zinvol zijn drachtige dieren vanaf 90 dagen dracht tot het eind van de dracht met een interval van 10 tot 14 dagen te behandelen met oxytetracycline (20 mg/kg, parenteraal).
Toepassing van antibiotica vermindert het aantal abortusgevallen en verlaagt de infectiedruk. Het inzetten van antibiotica geeft geen herstel van beschadigingen die al zijn opgetreden.(1)
(1) Gezonde Dieren Deventer

Terug naar:

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier