Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Pommerse gans

Pommerse gans
De Pommerse gans is een opvallende verschijning. Een weidegans bij uitstek. Goede broeders en moederdieren bovendien. Ooit zeer geliefd vanwege de smakelijke, gerookte ganzenborst. Nu vooral in trek bij fokkers die met hun dieren naar de show willen.
 
Voor de oorsprong van de Pommerse gans moeten we naar het noorden van Duitsland, richting Poolse grens. Naar het eiland Rügen om precies te zijn. Daar werden rond 1550 voorlopers van dit ras aangetroffen. In die tijd heetten ze nog Rügense ganzen. Eeuwen later, omstreeks 1900, was de ganzenhouderij over geheel Pommeren verspreid, waarbij het kerngebied zich in Nieuw Voorpommeren bevond, met name in het district Stralsund waartoe ook het eiland Rügen behoort.
 
Volgens ganzenkenner J.H. Wieking trof men in dit gebied ten tijde van de middeleeuwen veel mensen aan, die je kunt beschouwen als lijfeigenen. Hun loon kregen ze in natura uitbetaald. Het houden van twee of drie ganzen vormde onderdeel van hun inkomen. De baas zorgde voor grasland waarop de ganzen konden worden gehouden. In ruil hiervoor kreeg de baas in het najaar een gedeelte van de aanwas. Het hoeden van de dieren gebeurde door jongens of meisjes uit het dorp, die hiervoor 25 Pfennig per gans kregen, schrijft hij in de Deutsche Kleintier Züchter van 26 maart 1987.
 
Jaarlijks werd de gent bij een andere dorpeling gestald, zo schetst Wieking de omstandigheden van de ganzenhouderij van destijds. Men hield vaak zes tot acht of zelfs meer ganzen per gent. Foktechnisch leverde dit nogal wat problemen op. Door het grote aantal ganzen per gent bleven veel eieren onbevrucht. Daarnaast werd een nieuwe gent meestal uit de eigen aanwas gekozen, met als gevolg dat inteelt in de loop van de tijd fors toenam en dat de grootte van de dieren in veel koppels terugliep. Desondanks bleven de Pommerse ganzen groter dan andere landganzen. Dit was het gevolg van het feit dat bij selectie toch steeds de grootte en massa centraal stond.
 
Evenals in veel plattelandsgebieden gingen ook in het noorden van Duitsland de overtollige ganzen via handelaren in de stad naar gebieden waar ze werden afgemest en verkocht voor de slacht. Het borstvlees was zeer in trek. Voor massaconsumptie bleek het echter minder geschikt. Door de intensivering van de landbouw raakte de ganzenteelt op de achtergrond en door de omschakeling van gewassen - graanakkers en klaverweiden maakten gaandeweg plaats voor de teelt van koolzaad - nam de ganzenhouderij ook in Pommeren af. Helemaal verdwijnen zou de Pommerse gans echter niet.
 
Tien tot twintig eieren
Zoals in het verleden gold, geldt ook nu nog: Pommerse ganzen zijn goede broeders en moederdieren. Bevruchte eieren komen meestal allemaal uit. De Pommerse ganzen beginnen doorgaans in de tweede helft van februari met het leggen van tien tot twintig eieren. In het verleden werden de jonge ganzen in het gebied van herkomst opgefokt met fijngehakte brandnetels, broodresten en gerst. Vanaf mei gingen ze dan naar braakliggende gronden, wegbermen en de speciaal daarvoor gereserveerde weidegronden. Na de graanoogst mochten ze op het stoppelland hun kostje bij elkaar zoeken. In de herfst bereikten de genten een gewicht van acht kilo en de ganzen een gewicht van zeven kilo. Naast selectie van fokdieren op massa, letten de fokkers er steeds op dat de Pommerse gans vooral een weidegans bleef.
 
Nog altijd kenmerkend zijn de opvallende brede borst en schouders. De brede borst komt voort uit de tijd dat de Pommerse gans vooral gewild was vanwege het vlees en het vet. De borst moet ook enigszins naar voren worden gedragen. Verder is de Pommerse gans te herkennen aan een eivormig lichaam, met slechts één enkele wam, een horizontale lichaamshouding, een licht gewelfde rug, die even lang is als breed. De middellange vleugels sluiten goed aan het lichaam en bedekken de rug en de staart. De Pommerse gans beschikt bovendien over een paar stevige dijen. De poten zijn oranjerood van kleur en middellang. Een belangrijk onderdeel van dit ras vormen de kop en de hals. De kop is eivormig en groot. Sommige dieren zijn voorzien van een niet al te grote kuif. De snavel is oranjerood van kleur. De hals wordt bijna rechtop gedragen, is stevig en middellang. Kortom: een opvallende verschijning op boerenerf en in de wei.
 
Drie kleurslagen
De Pommerse gans is erkend in drie kleurslagen: wit, wildkleur en bont. Witte ganzen met zwemwater en weiland zullen er hagelwit uitzien. De oogkleur is blauw.
Ganzen met een wildkleur hebben bruine ogen. Hun veerkleur is overwegend grijs. Buik en achterlijf zijn echter wit. De veren op schouders, vleugels en dijen hebben een vrij smalle witte omzoming. De staartveren hebben een brede witte zoom.
 
Bonte Pommerse ganzen hebben blauwe of bruine ogen. De fok van deze ganzen is een kansspel waarbij de uitkomst ook voor de ervaren fokker niet is te voorspellen. Niet meer dan 15 tot 20 procent zal aan het gewenste tekeningbeeld voldoen. De grondkleur is donkerbruingrijs. De kop en een kwart tot de helft van de hals is grijs. De aftekening op de hals moet een rechte lijn vormen. Schouders en rugveren vormen een gekleurd grijs hart, waarbij de veren voorzien zijn van een smalle witte rand. Ook de onderrug is grijs, terwijl de veren op de dijen donkergrijs van kleur zijn, met een brede witte zoom. De staartveren hebben eveneens een grijze kleur met een brede witte rand.
 

Heb je zelf ganzen en heb je hier een vraag over? Stel 'm in de vraagbaak

Terug naar: 

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier