Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Kraaikop

Kraaikop

kippenboek

De Kraaikop is de reus onder de Nederlandse hoenderrassen, of beter: de reus onder de oud Nederlandse hoenderrassen. In vergelijking met andere rassen is de Kraaikop een fors hoen. Een bijzondere verschijning ook, deze kip op hoge poten.
De Kraaikop was het eerste, bijna verdwenen hoenderras waarmee de fokkers van de Nederlandsche Hoenderclub (N.H.C.) direct na de oprichting in 1900 aan de slag gingen. Deze primeur had dit ras mede te danken aan zijn bijzondere voorkomen: groot, met veren op de poten en schuin naar beneden, achterwaarts groeiende veren aan het dijbeen, zogeheten gierhakken.

Op de kop draagt de kraaikop geen kam maar een paar veertjes, waardoor, zeker bij de zwarte variant, ooit de associatie met een kraai moet zijn gelegd. Vermoed wordt dat de Kraaikoppen zijn gefokt uit de kuifhoenders die sinds de middeleeuwen in ons land voorkwamen. Op schilderij­en uit het midden van de zeventiende eeuw staan hoenders met kuif en/of baard afgebeeld, waar­onder dieren die hoger gesteld waren en met veren aan de voeten; basismateriaal waaruit de Kraaikop kan zijn ontstaan. Ook afbeeldingen uit de negentiende eeuw, getekend aan de hand van levende dieren, laten vrij diepe, goed ontwikkelde hoenders zien. Alleen ogen deze dieren minder fors dan onze huidige Kraaikoppen. Zo kwamen de opvallend hoge poten op deze afbeeldingen niet voor. Die moet het ras te danken hebben aan kruisingen met enkele buitenlandse rassen, ingeschakeld omdat van de populatie Kraaikoppen aan het begin van de twintigste eeuw niet veel meer over was. Zo deden fokkers een beroep op onder andere de Croad Langshans vanwege de massa en de voetbeve­de­ring en de blauwe Andalusier vanwege de witte oren, de blauwe poten en de witte eieren. Het gebruik van deze rassen had tot gevolg dat de aanwezige eigenschappen in de Kraaikop­pen, namelijk de hoogbenigheid en het gewicht, werden gestimuleerd.

Breda Fowl
Voordat er een reddingsactie op touw moest worden gezet voor de Kraaikop, deed het ras het bijzonder goed als vleeskip. Niet alleen in Nederland overigens. Uit de literatuur blijkt dat in de negentiende eeuw de Kraaikop ook buiten onze grenzen voorkwam. Alleen is daar het ras niet onder de naam Kraaikop bekend. In de Engels sprekende landen heeft men het over de Breda Fowl, in het verleden werd daar ook de naam Gueldres gebruikt. In Frankrijk spreekt men van Poule de Breda of Poule Bec de Corneille, met andere woorden de Franse versie van Kraaikop. De koekoek­getekenden noemt men Poule de Gueldre. De Duitsers kennen de Kraaikop onder de naam Breda Huhn. In het verleden noemde men de koekoekgetekenden Gelderländer. Opmerkelijk is de link die de buitenlanders leggen met de stad Breda. Houwink, de grote kenner van Nederlandse rassen in de eerste helft van de twintigste eeuw, heeft daar een verklaring voor. In zijn niet gepubliceerde boek uit 1940 ´´De geschiedenis van de Nederlandse hoenderrassen” staan interviews met G. H. Swijtink, poelier te Arnhem, en Bertram, poelier te Breda. In die interviews wordt verwezen naar de Bredase kapoen, als synoniem voor de Kraaikop.

In de negentiende eeuw had Breda een goede naam als leverancier van kapoenen, dat wil zeggen gecastreerde hanen, schrijft Houwink. Hiervoor werden vooral de Chaamse hoenders gebruikt. Swijtink ging regelmatig naar de pluimveemarkten in Amsterdam en Rotterdam waar in de jaren 1850-1880 altijd Kraaikoppen op de markt aanwezig waren. Hieronder waren verschillende vormen van Kraaikoppen, onder andere Kraaikoppen met onbevederde poten, die sneller groeiden en veel vetter en zwaarder waren dan de andere vormen van de Kraaikop. Om ze extra aan te bevelen, had hij ze de naam ge­geven van "Bredase-Kapoenen.

BKU
Aangenomen mag worden dat de Kraaikoppen van Swijtink in de tweede helft van de negentiende eeuw bij stedelingen terecht kwamen die vooral gecharmeerd waren van het uiterlijk van dit ras. Hun overschot aan hanen verscheen samen met de hanen van het Chaams hoen als Bredase kapoenen op de markt. Een ontwikkeling waaraan eind negentiende eeuw een einde kwam, waarna enkele fokkers, onder wie de Arnhemmer Swijtink zich over de Kraaikoppen ontfermden en het ras in stand hielden.
Het bleef echter kwakkelen met de Kraaikop, decennialang. Totdat in 1985 de Brabanter, Kraaikoppen en Nederlandse Uilebaarden Club werd opgericht (BKU). Momenteel is de Kraaikop op de clubshows van de BKU het ras met de meeste inzendingen. Het aantal fokkers is echter nog zeer beperkt, ook al gaat de Kraaikop door voor een vrij makkelijk te fokken ras. Gezien veel verborgen eigenschappen, die er in de loop van de tijd mede door de geringe variatie in bloedlijnen zijn ingeslopen, kunnen zich wel de nodige verrassingen voordoen. Maar beginners en ook ervaren fokker zien dit vooral als een uitdaging. De grootte van de dieren vraagt steeds weer  aandacht. Voordat je het weet zit het gewicht onder het thans vastgestelde minimum. En dan te bedenken hoe groot ze in het verleden waren.

Terug naar:

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier