Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Hollandse Kriel

Hollandse kriel

De Hollandse krielen stammen af van de boerenkrieltjes die vroeger los op het erf liepen. Vaak sliepen ze in open schuren, in bomen en struiken. Alleen de allersterkste krielen bleven over en plantten zich voort.

Deze herkomst heeft de Hollandse krielen lang parten gespeeld. Men vond ze te gewoontjes. Het ras noch zijn voorlopers kwamen voor op schilderijen. De Nederlandse Hoender Club presteerde het zelfs aan het begin van de vorige eeuw om een negatief fokadvies af te geven: ze stonden te hoog op de poten, waren te slank, en de oorlellen waren in de loop van de tijd rood geworden, terwijl ze wit moesten zijn, oordeelden de deskundigen van destijds.
C. van Gink, de bekende schrijver over pluimveerassen en tekenaar van veel standaardafbeeldingen, kreeg in de zomer van 1911 bezoek van de bekende Amerikaanse pluimvee-illustrator A.O. Schilling. Deze liet zich bij die gelegenheid over de patrijskleurige Hollandse krielen ontvallen: "Het zijn fraai gekleurde krielen, doch ze zullen buiten Holland niet spoedig populair worden, daar ze door het gemis aan in het oog lopende raskenmerken teveel gelijken op gewone boerenkrielen."
Van Gink beschouwde de opmerking van de Amerikaan als een uitdaging. Hij zette zijn ideaalbeeld van de Hollandse kriel op papier en in zijn verhalen en publicaties gaf hij aan op welke manier aan dat beeld tegemoet kon worden gekomen.

kippenboek

 

Fokkers gingen aan de slag met niet meer dan een half dozijn dieren. Ze probeerden krielen uit het ei te krijgen met blauwe benen, witte oren, en een rijke staartpartij met goed gebogen hoofdsikkels. Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam het door Van Gink getekende beeld tot leven en begonnen de Hollandse krielen er uit te zien zoals de “meester” voor ogen stond.
Inmiddels heeft de Hollandse kriel de wereld veroverd. In veel Europese landen, maar ook in de Verenigde Staten, Zuid-Afrika en veel andere landen, vond het ras aanhangers. Op de grote Duitse shows treft men tegenwoordig lange rijen kooien met Hollandse krielen aan. Ondanks al het gesleutel aan het uiterlijk van de Hollandse kriel, verloochent het ras zijn afkomst niet. Uit genetisch onderzoek blijkt dat de eigenschappen van de Hollandse krielen thuishoren in de rij van het Drentse, het Friese Hoen en de andere oud-Nederlandse landrassen.
Ze zijn nog altijd zeer vitaal, vruchtbaar, weinig gevoelig voor ziekten en niet schuw. Kortom, een ras dat veel mensen aanspreekt, niet in de laatste plaats door de ruime keus uit meer dan twintig kleurslagen. De oudste kleurslag – patrijs – heeft nog steeds de grootste aanhang. Opvallend is dat de broedsheid bij de hennen per kleurslag en stam kan verschillen. Dat geldt ook voor het aantal eitjes dat een hen legt.
Dit is vaak afhankelijk van de fokker. Waar selecteert hij of zij op; eiproductie of showkwaliteit? Daarom is het verstandig eerst een kleur te kiezen en vervolgens contact op te nemen met de Hollandse krielenfokkers. Daar kunnen ze je vertellen welke fokker de best leggende stam heeft.

Terug naar:

 

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier