Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Bergse kraaier

De Bergse kraaier, ook bergkraaier genaamd, is het oudste Duitse hoenderras en wordt sinds vele eeuwen gefokt. De oorsprong van het ras ligt in het zogenaamde Bergse land, de heuvelachtige landstreek ten oosten van Düsseldorf en Keulen. Het opvallende kenmerk is de langdurende en aangename kraai, die soms tot meer dan tien seconden duren kan. Deze eigenschap deelt de Bergse kraaier met langkraaiers uit de Balkan en Azië.

Lees meer over de herkomst van het ras in het artikel: Onderzoek levert bewijs voor legende over Bergse kraaier

Het ras staat op de zogenaamde "rode lijst van bedreigde veerassen" in Duitsland. Het is de verdienste van de traditierijke "Vereinigung der Züchter bergischer Hühnerrassen" dat het ras nog bestaat en actief gefokt wordt. In de laatste jaren wordt gelukkig een toegenomen populariteit vastgesteld. Mogelijk wordt dit veroorzaakt door een algemeen toegenomen interesse voor langkraaiers, maar waarschijnlijker is dat de zogenaamde instandhoudingsfokkerij door fokkers met historisch gevoel een belangrijkere rol begint te spelen. De laatste ontwikkeling was in 2015 de oprichting van een fokkerskring met stamboek met het doel de genetische variatie binnen het ras te behouden.

Eigenschappen en kenmerken
Bergse kraaiers zijn uitgesproken aktieve, waakzame dieren met een grote actieradius, die uitstekend hun eten in de natuur kunnen zoeken. Bedreigingen zoals roofvogels merken ze snel en ze hebben dan een grote vluchtafstand. Ze reageren gevoelig op vreemde personen en hektische bewegingen in hun omgeving. Kennen ze een mens over een lange tijd, kunnen ze echter zeer vertrouwelijk worden. Door hun vliegkunsten, is een hoge ren van belang.
 

 

Broedsheid
Over het algemeen kan gesteld worden dat Bergse kraaiers niet broeds worden. Tot in de jaren 60 werden op de boerderijen in het Bergse land echter af en toe broedse hennen gevonden. Dat is niet verrassend, omdat broedmachinen hier vroeger ongebruikelijk waren. Bij dieren waar in het verleden een gering aandeel van Bosnische of Kosovaarse kraaiers ingekruist is, wordt broedsheid overigens vaker aangetroffen.

Eieren en vruchtbaarheid
Tellingen tussen 2002 en 2003 heben laten zien, dat een eierproductie tussen 120 en 130 eieren per jaar normaal is. De eieren wegen tussen 55 gram bij de jonge hennen en 58 gram bij de oudere. Het legbegin is meestal bij een leeftijd van 6-8 maanden. Omdat de hennen vooral zomerleggers zijn, worden de meeste eieren tussen maart en september gelegd. Opmerkelijk is, dat de eierproductie in het tweede en derde levensjaar nauwelijks teruggaat. Bergse kraaiers kunnen heel oud worden en in veel gevallen zijn ze ook met zes jaar of ouder in staat te leggen en zich voort te planten.

Uiterlijk
Typische Bergse kraaierhanen hebben een langgestrekte, stevige, relatief hooggestelde en rechtopstaande langhoenvorm met een iets gebogen rug en relativ hoog gedragen staart, waardoor de gewenste "driebogenlijn" ontstaat. De staart moet vol zijn met lange veren. Helaas lijden bijna alle kraaiers aan een ongewenste breekbaarheid van de staartveren, die vaak rafelig en geknikt zijn.De vorm van de hen heeft een wat minder uitgesproken lichaams- en staarthouding.
De haan heeft een kleine tot middelgrote, staande enkele kam, waarvan de achterkant als een vlag naar achteren wijst zonder contact met de nek. Bij de hen komt vaak een hangkam voor. De snavel is tamelijk lang en hoornkleurig. De oorschijven zijn amandelvormig en wit, bij de oudere hanen vaak met rode randen. De keellappen zijn middellang. De kleur van de ogen is oranjekleurig tot lichtbruin.

Kleur en tekening
De enige officieel erkende kleurslag is goud (Nederland) of schwarz-goldbraun-gedobbelt. Een recessieve zilverkleurige (crèmekleurige of witte) variant schijnt onder de goudkleurige dieren verborgen te zijn en komt af en toe voor. Binnen de "fokkerskring Bergse kraaiers" werd in 2015 bepaald, dat deze dieren ook geaccepteerd worden en in het stamboek opgenomen kunnen worden. Tot nu toe werd deze variant niet doelgericht gefokt.
Het halsgevederte van de haan is gekleurd met zwarte punten, de staart is zwart, de vleugelveren zijn gezoomd. De hennen zijn overal zwart, behalve de borst en schouders, waar de – vaak verdekte – dobbeling te zien is. Opvallend is de omzoming van de vleugelpennen, die zich als een gekleurde driehoek op de zwarte achtergrond toont. Het begrip "dobbeling" betreft de verentekening van de borst, soms ook de schouders. Deze tekening komt enkel voor bij de bergkraaiers en andere Bergse rassen die uit kruisingen met Bergse kraaiers voorgekomen zijn, zoals de Bergse hangkam en de Duitse kruiper. Bij de dobbeling, de grofste vorm van omzoming, laten de borstveren en die van de schouders op de zwarte achtergrond centrale lichte punten (Duits: "Dobbeln") zien, die vaak door zwarte veren bedekt worden. In het laatste geval spreekt men van een verdekte dobbeling. De naam van de tekening is afgeleid van de stenen van een oud en niet meer bekend Bergs bordspel. Het woord is overigens hetzelfde als het Nederlandse “dobbelen” en “dobbelsteen”. Genetisch is de dobbeling met omzoming, pelling en vergelijkbare tekeningen verwand, die op de zelfde genen terug te leiden zijn en enkel door de medewerking van bepaalde allelen hun verschillen uitdrukken.
 
Er bestaat ook een krielvariant, die uiterlijk met het grote hoen overeenkomt. De kriel kraait hoger en iets korter (tot ongeveer zes seconden) en heeft in bepaalde stammen de broedneiging behouden.
 

Terug naar:

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier