Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

IJslander

Wie aan IJsland denkt, denkt aan bittere kou, kale vlakten en vulkaanuitbarstingen. Van de paardenpopulatie uit de Vikingtijd overleefden dan ook alleen de allersterkste paarden. In de loop van de eeuwen ontstond zo een gehard, koelbloedig en gezond ras. De taaie dieren bleken onmisbare hulpjes voor de Noorse boeren die IJsland koloniseerden. In later tijden werden ze in heel Europa ingezet als last- en trekdieren. Toen hun economisch nut afnam, raakte de IJslander al snel in trek als rij- en recreatiepony.

Een IJslander is met een stokmaat tussen 125 en 145 cm niet groot. Hij komt voor in alle kleuren, behalve appaloosa. Karakteristiek zijn de lange, dikke manen en staart, de keiharde benen, de grote, sprekende ogen en de ondiepe mond. Vanwege de vlakke schoft en gewelfde ribben is bij het zadelen een staartriem noodzakelijk, anders maakt de ruiter met zadel en al een duikeling opzij. De IJslander is zowel temperamentvol als zachtaardig. Zijn weinig voor de hand liggende combinaties van karakterkenmerken – zowel voorwaarts gericht als stuurbaar, zowel vurig als betrouwbaar – maken de IJslander tot een fijn rijdier.

Staart- en maneneczeem
Veel gezondheidsproblemen kent het ras niet. IJslandse paarden zijn wel extra gevoelig voor kwalen die alle sobere rassen treffen, zoals hoefbevangenheid en hyperlipaemie. Weidegang in te rijke (koeien)weides en krachtvoer kunnen al snel tot deze ernstige paardenziektes leiden. Maar de echte achilleshiel van de IJslander is zijn huid. Het ras is meer dan andere rassen behept met allerlei huidkwalen, vooral het beruchte staart- en maneneczeem. Naar schatting ongeveer zestig procent van de uit IJsland geïmporteerde paarden en twintig procent van de overige IJslanders reageert met een heftige allergische huidreactie op de stekende Culicoïde-mugjes.
IJslanders zijn laatbloeiers. Meestal wordt pas met de africhting begonnen als de dieren 4,5 tot 5 jaar oud zijn. Bij uitstek zijn ze geschikt voor sporten waarbij conditie en kracht vooropstaan, zoals endurance, trektochten en bos- en strandritten. Daarnaast zijn er volop wedstrijden en keuringen speciaal voor IJslanders, waarbij vooral de bijzondere gangen beoordeeld worden. 

Tölt
De meeste paarden zijn driegangers: ze kunnen stappen, draven en galopperen. Het IJslandse paard heeft daarnaast nog twee gangen: de tölt en de telgang. De tölt kun je zien als snelwandelen voor paarden. Net als bij de stap tilt een paard bij de tölt zijn voeten om beurten op, zonder zweefmoment. De tölt is echter een stuk sneller dan de stap: zo’n 250-300 meter per minuut. Ter vergelijking: drafsnelheid is 200 en galoppeersnelheid 350 meter per minuut. De tölt is voor de ruiter een heel comfortabele gang, omdat hij niet uit het zadel wordt opgewipt. Een töltend paard ziet er ook mooi uit. De gang vraagt van het paardenlichaam een opgerichte, fiere houding, waarbij de staart heen en weer danst. 

De telgang lijkt op de draf. Maar waar bij draf de diagonaal geplaatste benen gelijktijdig de grond raken, zijn dat bij de telgang de benen van één zijde. De IJslander kan erg hard lopen in telgang (350-400 meter per minuut), maar voor de doorsnee ruiter is het nogal een gehotsebots. Niet alle IJslanders hebben een telgang. Andere hebben weer geen gewone draf. Tölten kunnen de meeste wel, al moet mooi gangenwerk goed aangeleerd en steeds weer geoefend worden. Bij veel ongetrainde IJslanders lopen de verschillende gangen in elkaar over. Afkeurend wordt dan gesproken over ‘schweinepass’ (langzame telgang), drölt (drafachtige tölt) en galölt (galoprol in tölt). Een paard met juist zeer goede gangen krijgt de erenaam ‘gaedingur’.

Terug naar:

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier