Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Voeding van konijnen

Voeding van konijnen

Konijnen zijn hypsodont, dat wil zeggen: dieren waarvan de tanden en kiezen een eind boven de tandvleesgrens uitsteken. Dieren waarbij dat niet het geval is, zoals mensen, worden brachydont genoemd. De relatief ver boven het tandvlees uitstekende tanden en kiezen groeien bij het konijn ook nog constant door. Deze eigenschap delen ze met veel knaagdiersoorten. De snijtanden van een gemiddeld konijn groeien wekelijks ongeveer twee millimeter. De kiezen groeien langzamer, ongeveer drie millimeter per maand.
Deze eigenschappen van het gebit maken het voor konijnen zowel mogelijk als noodzakelijk voer te eten dat tanden en kiezen doen slijten.

Ten opzichte van andere planten waarvan dieren leven, is het slijtend effect van gras vrij groot. Dit heeft twee oorzaken. In de eerste plaats groeit gras vrij dicht bij de grond. Dat heeft consequenties voor wat een dier naar binnen krijgt als het gras eet. Bij neerslag spatten zanderige bodemdeeltjes op die zich hechten aan het gras. Meer bijzonder is dat naast het aanhangende zand ook in het gras zelf slijtage veroorzakende deeltjes zitten. In de celwanden van gras zijn zandachtige minerale deeltjes ingebouwd. Dit worden fytolieten genoemd. De functie is niet helemaal duidelijk. Soms wordt versterking van de structuur genoemd, anderen speculeren dat het vooral is bedoeld om gras iets onaantrekkelijker te maken om te eten. Het gevolg is hoe dan ook dat dit bijdraagt aan gebitsslijtage bij opname. Het slijteffect van grasproducten is veel groter dan dat van bijvoorbeeld luzerne, boombladeren, groenten en allerlei commerciële voerproducten.

Grassen en kruiden
Wilde konijnen doen het in de vrije natuur prima op een vrij schraal dieet, bestaande uit voornamelijk grassen, kruiden en daarnaast soms de bast van jonge boompjes en twijgen. Het konijn verwerkt dit tamelijk ruwe materiaal met behulp van zijn hiervoor speciaal aangepaste maagdarmstelsel. Een heel bijzondere eigenschap van dit maagdarmstelsel is het vermogen om in de dikke darm de zeer slecht verteerbare plantdelen af te scheiden van de rest van de voedselmassa. Deze slecht verteerbare delen worden uitgescheiden als de welbekende konijnenkeutels. Het minder vezelige deel van het voedsel wordt in de blinde darm geleid. Deze blinde darm vormt veertig procent van de inhoud van het maagdarmstelsel. Hier worden de voedselresten verder afgebroken door bacteriën.
Deze bacteriën produceren tijdens de afbraak vluchtige vetzuren die weer dienen als energiebron voor de konijnen. Meestal eenmaal per etmaal wordt de blinde darm geleegd. Dit gebeurt vaak in de vroege ochtend. De uitwerpselen die zich dan vormen, bestaan uit onverteerde voedselresten en heel veel bacteriën. Deze zachte massa wordt door het konijn rechtstreeks uit de anus opgenomen (dit wordt caecotrofie genoemd, caecum betekent blinde darm).
Vanwege de manier van opnemen en het vaak vroege tijdstip hebben veel mensen dit nooit waargenomen. Resten van de zachte mest ziet men ten onrechte ook wel eens aan voor diarree. De voordelen van deze verteringsstrategie zijn groot. De weer opgenomen mest is rijk aan bacterieel eiwit, B-vitaminen en vitamine K, die in de tweede verteringsronde weer opgenomen kunnen worden. Met deze strategie werkt een konijn als het ware zijn voedsel op.

Kant-en-klaar
Helaas kan verkeerd gebruik van in de handel verkrijgbare konijnenvoeders nogal eens voor problemen zorgen. Natuurlijk heeft het voeren van een kant-en-klaar konijnenvoer voordelen. Het is gemakkelijk en je bent meestal zeker van constante gehalten voedingsstoffen. De nadelen kunnen echter ook groot zijn. Konijnen hebben een relatief grote maaginhoud, omdat ze van nature een volumineus dieet opnemen. Geconcentreerde voeders worden dus gauw in overmaat opgenomen, met als gevolg kans op vervetting. Er zijn natuurlijk ‘light’voeders voor konijnen beschikbaar, maar als je dat nodig hebt, zijn er toch al veel onnodige voedingsfouten gemaakt.

Een groter probleem is dat veel konijnenvoeders rijk zijn aan makkelijk verteerbare koolhydraten. Die heeft een konijn nu juist niet nodig. Een grote hoeveelheid koolhydraatrijk voedsel ineens kan er voor zorgen dat het maagzuur niet op alle plekken goed bij de voedselmassa kan komen. Hierdoor kunnen schadelijke bacteriën de maagpassage overleven en elders problemen veroorzaken.
Aangekomen in de blinde darm zorgen koolhydraten juist weer voor verzuring, omdat er heel snel vluchtige vetzuren worden gevormd. Een te zure inhoud van de blinde darm leidt weer tot darmontstekingen en diarree.
Konijnenvoer uit de winkel geeft een konijn ook vaak te weinig te doen, waardoor verveling kan ontstaan. Ook mist dergelijk voer vaak voldoende lange vezels, waardoor het gebit te weinig slijt. Bovendien geeft het voer te weinig prikkels in het darmstelsel, waardoor de passage van het voedsel te traag gaat met alle schadelijke gevolgen van dien. Konijnen die te weinig vezelig materiaal krijgen, hebben ook nog meer last van haarballen.
Kortom: net als in de natuur moet het hoofdbestanddeel van het rantsoen voor een hobbykonijn bestaan uit gras (maar geen gemaaid gazongras!) of, als dit niet beschikbaar is, uit hooi.

Denk niet dat konijnen zelf wel de juiste voedingskeuzes maken. Daar ben je zelf verantwoordelijk voor. Dit is ruim tien jaar geleden overtuigend aangetoond met een serie proeven met konijnen. Deze dieren kregen gemengd voer aangeboden, waarin alles zat wat de dieren nodig hadden. Helaas bleek in elke proefronde dat de dieren erg selectief waren en alleen datgene opnamen wat ze echt lekker vonden. Dit leidde tot een voedselopname met een te hoog energiegehalte en een veel te laag calciumgehalte.

Een goed rantsoen

  • Lang vers gras of hooi van goede kwaliteit moet het hele etmaal beschikbaar zijn;
  • Konijnen eten ook kruiden, maar pas op met planten uit de siertuin;
  • Bladgroenten zijn een smakelijke aanvulling;
  • Lucernehooi is vaak te calciumrijk voor konijnen;
  • Volwassen konijnen eten maximaal 25 gram konijnenvoer per kilo per dag, groeiende en melkgevende dieren mogelijk wat meer;
  • Konijnenvoer moet bij voorkeur meer dan twintig procent ruwe celstof bevatten;
  • Het beetje konijnenvoer dat wordt gegeven, moet geheel op;
  • Liever geen voeders gebruiken waaruit het konijn kan selecteren, het oogt leuk maar dat kan het konijn toch niets schelen;
  • De gehele dag schoon drinkwater;
  • Voel regelmatig of het konijn niet te mager of te dik wordt. Hooi is het goedkoopste vermageringsvoer.


Vitamine D
Voeding voorziet dieren van voedingsstoffen. Er zijn een paar voedingsstoffen die op een andere manier in het dier terecht komen. Het bekendste voorbeeld is vitamine D. Deze voedingsstof speelt een belangrijke rol bij de omzetting van calcium (hoofdbestanddeel van botten, gebit en eischaal) in het lichaam. Zonder vitamine D kan calcium niet worden opgenomen en niet worden ingebouwd in weefsel, bijvoorbeeld botstructuren. Een vitamine D tekort veroorzaakt dezelfde verschijnselen als een tekort aan calcium.
Vitamine D2 en D3 zijn de vormen waarin vitamine D voorkomt. Vitamine D2 (ergocalciferol) is een bestanddeel van sommige planten. In de zon gedroogd ruwvoer bevat er relatief veel van. Vitamine D3 (cholecalciferol) is een bestanddeel van dierlijke producten, vooral vetrijke. Vogels, zoals kippen, kunnen vitamine D3 veel beter benutten dan vitamine D2. Wanneer de vitamine wordt toegevoegd aan een voer of supplement is dit altijd in de vorm van D3. Vitamine D3 is nuttig maar zeker niet onschuldig. Langdurige overmaat leidt tot gezondheidsproblemen, hoge doses zijn acuut giftig.
Het geven van vitamine D (en A) via supplementen is sowieso een slecht idee. Een doordacht dieet kan zonder. Voor vitamine D geldt dat de D3 vorm bij veel dieren (graasdieren, konijnen, kippen etc.) in de huid gevormd kan worden. Hiervoor is wel blootstelling aan zonlicht noodzakelijk. Ultraviolette straling van de zon met een bepaalde golflengte (UV-B straling) zet dehydrocholesterol in de huid om in een vorm van vitamine D3. Dit kan door het dier benut worden.
In de zomer is bij onbewolkt weer midden op de dag de UV-B straling het hoogst. Wanneer de zon laag staat is de UV-B opbrengst voor het dier aanzienlijk minder. Ook bewolking en schaduw verminderen de UV-straling. Op grote hoogte is de UV-B straling ook hoger. Lama’s en alpaca’s die uit het Andesgebergte komen, hebben zich door pigmentatie in de huid en een dichte vacht aangepast aan sterke straling. Op zeeniveau gehouden zijn ze daardoor dan wel gevoeliger voor vitamine D gebrek. Hierin verschillen ze van andere voor de hobby gehouden dieren.
Voor alle hobbydieren geldt: stuur de dieren zo snel mogelijk de zon in. Daarmee valt voor de meeste soorten weer een reden om brokken te voeren weg. Achter glas laten zitten helpt niet. Hier gaat de UV-B straling niet doorheen.

Wortelen
Konijnen zijn dol op peen. Konijnenbestrijders weten dat en daarom worden in landen waar konijnen als plaag worden bestreden wortelen gebruikt als lokaas. Wortelen zijn rijk aan suikers. Hierdoor smaken ze zoet en dat maakt ze aantrekkelijk voor het konijn.
Wortelen zouden wonderen doen voor het gezichtsvermogen. Konijnen hebben inderdaad een zeer groot blikveld en goede ogen. Dat komt echter door de bouw van het oog en de plaatsing in de kop en niet door het eten van wortelen.
Toch is er een relatie tussen wortelen en gezichtsvermogen. Wortelen bevatten veel bètacaroteen en daaraan verwante stoffen. Deze stoffen kunnen door veel diersoorten met behulp van enzymen in de darmwand omgezet worden in vitamine A (retinol). Deze vitamine is onder meer belangrijk voor de opbouw en het functioneren van het lichtgevoelig pigment in het oog.
Omdat bètacaroteen eerst omgezet moet worden in vitamine A, wordt het ook wel provitamine-A genoemd. In tegenstelling tot vitamine A is de stof niet giftig bij een overmaat. De omzetting van bètacaroteen naar vitamine A stopt wanneer de weefsels voldoende vitamine A bevatten. Een hoge bètacaroteen opname kan wel leiden tot oranjekleuring van de huid en van het lichaamsvet. Bètacaroteen is ook op zichzelf belangrijk. Bij onder meer paarden en herkauwers zijn er aanwijzingen gevonden voor een positief effect op de vruchtbaarheid. Bètacaroteen komt bovendien veel voor in andere groenten en in groene planten. Vers gras en ingekuild gras zijn zeer goede bronnen. Omdat bètacaroteen gemakkelijk wordt afgebroken onder invloed van licht en zuurstof zijn de gehalten in hooi meestal zeer laag.
Dus maar worteltjes voeren aan konijnen en andere dieren op een hooirantsoen? Het kan, maar houd het beperkt. Het hoge gehalte suikers is niet bevorderlijk voor de gezondheid van het maagdarmstelsel. Vergeleken met hooi is het product erg vezelarm. De altijd maar doorgroeiende tanden van het konijn slijten er ook niet echt van. Konijnenbrokken bevatten toegevoegd vitamine A. Een klein beetje brok in het rantsoen, naast onbeperkt goed hooi, zorgt voor een goede aanvoer. En wie toch iets wil met worteltjes: eet ze zelf op en geef, met mate, de zandvrij gemaakte toppen met het loof aan de konijnen.  

Geef geen knaagsteen
Knaagstenen zijn niet nodig. Zeker de calciumrijke zijn eigenlijk een misdrijf tegen het konijn: overbodig en potentieel schadelijk voor de gezondheid. Wil je je konijnen wat te knagen geven? Kies dan voor natuurlijke materialen.

Geschikt: wilg, paardenkastanje, kleinbladige linde en fijnspar
Wilg, paardenkastanje, kleinbladige linde en fijnspar zijn geschikt als knaagmateriaal. In al het onderzoek werd het hout ontdaan van de bast om ziekten (schimmels) te voorkomen. De houten staaf met een diameter van 2,5 tot 8 cm werd bevestigd aan een van de zijwanden of aan de bovenkant van het hok.  

Ongeschikt: vlier, beuk, berk, witte moerbei en eik
Een aantal houtsoorten bleek ongeschikt voor konijnen, te weten: vlier, beuk, berk, witte moerbei en eik. Aan zwarte populier en acacia werd weinig aangeknaagd, maar er werd een toename van sociaal gedrag (zoals elkaar besnuffelen en poetsen) waargenomen en daarom zijn ze geschikt bevonden als omgevingsverrijking.


Calcium
Net als de meeste dieren urineren konijnen regelmatig. Bij konijnen is deze soms melkachtig troebel. Dat is geen aanleiding tot zorgen; dit is het gevolg van de manier waarop het konijnlichaam met calcium omgaat.Calcium is een belangrijke minerale voedingsstof. Het mineraal is samen met fosfor het hoofdbestanddeel in botten en tanden. De voortanden van een konijn groeien wekelijks ongeveer 2 mm dus dat vraagt aardig wat calcium.
Calcium wordt uit het voedsel opgenomen en komt via de darmwand in de bloedbaan. Van daar wordt het getransporteerd naar vooral bot en tandweefsel. Bij vrijwel alle diersoorten neemt de passage van calcium door de darmwand toe wanneer de behoefte hoger is. Een lage behoefte leidt tot weinig opname van calcium. Het niet uit het voedsel opgenomen deel komt dan terecht in de mest. Op deze manier blijft het calciumgehalte in het bloed constant.
Bij konijnen is de opname van calcium niet afhankelijk van de behoefte. Verreweg het grootste deel van de aangeboden hoeveelheid passeert de darmwand. Bij erg calciumrijke voeding, bijvoorbeeld luzerne, sommige koolsoorten of kalkrijke knaagstenen, komt er op deze manier veel meer calcium dan benodigd in het lichaam. Dit overschot voert het konijn af als calciumcarbonaat in de urine. Omdat calciumcarbonaat niet volledig oplosbaar is wordt de urine hierdoor melkachtig troebel. Wanneer de calciumbehoefte het laagst is, dus wanneer het konijn niet groeit, drachtig is of melk geeft (konijnenmelk heeft een zeer hoog calciumgehalte), is dit het vaakst zichtbaar. 

Een tijdelijk hoog calciumgehalte in het dieet kan weinig kwaad voor het konijn. Bij zeer hoge gehalten of wanneer het calciumgehalte langdurig hoog is kan het bijdragen aan het ontstaan van blaasstenen. Om dit te voorkomen moet een konijnenrantsoen tussen de 0,6 en 1% calcium in de droge stof bevatten. Een rantsoen dat bestaat uit goede kwaliteit grashooi, aangevuld met beperkt bladgroente en dagelijks hooguit 25 gram droogvoer per kilo konijn voldoet hier vrijwel altijd aan. 
Slechte kwaliteit hooi (wanneer gaan we eens opgave van gehalten aan onze leveranciers vragen?) en gemengd voer, waarvan konijnen bij voorkeur de calciumrijke bestanddelen laten liggen, zijn risicofactoren. De urine wordt wel helder bij zulk voer, maar het zicht op een gezond konijnenbestaan raakt uiteindelijk behoorlijk vertroebeld.
Dat gras het hoofdbestanddeel van het ranstoen moet zijn, wil niet zeggen dat konijnen zo nu en dan andere planten kunnen en willen eten.
 

Eetbare planten:

  • Paardebloem
  • Klaver
  • Duizendblad
  • Klein hoefblad
  • Herderstasje
  • Weegbree
  • Kool, sla en knolrapen
  • Wortelen


Giftige planten:

  • Boterbloem
  • Nachtschade
  • Heggewinde
  • Vingerhoedskruid
  • Lelietje van dalen
  • Goudenregen
  • Wolfskers


Water
Vers water is erg belangrijk. U kunt uw konijn laten drinken uit een bakje of een speciaal daarvoor gemaakte drinkfles. Onderzoek heeft aangetoond dat een bakje beter is dan een fles met drinknippels. Wanneer konijnen de vrije keuze hebben, drinken ze vrijwel uitsluitend uit open drinkbakken, zelfs als ze aan drinknippelsystemen gewend zijn.  Uit de bakjes vindt de wateropname sneller plaats en is de tijd die de dieren aan wateropname (moeten) besteden korter.
Het gebruik van drinknippels (in combinatie met drinkflesjes) verhoogt het risico op een te lage wateropname. Daardoor neemt de kans op agressie toe, kan er sprake zijn van een lagere voeropname en is er risico op urinewegaandoeningen. Bij een beperkt wateraanbod is de opname uit drinkbakjes ook veel hoger dan uit flesjes met drinknippels, zo is uit het onderzoek gebleken.

Urinestenen bij konijnen
Urolithiasis (urinestenen) komen regelmatig voor bij konijnen. De aandoening is pijnlijk en betekent daarom een aantasting van het dierenwelzijn. Een hoge wateropname (via voeding of drinkwater) helpt de aandoening voorkomen.  Zowel hooi als verse peterselie in het dieet leidt tot een hogere totale wateropname in vergelijking met brokjes of droogvoermengsels.
 

Terug naar: