Vogelgriep uitgebroken!

Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Wet Dieren

Op 1 januari 2013 is de nieuwe Wet Dieren van kracht geworden. Deze wet bundelt van de volgende wetten:

  • de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (waaronder de regels met betrekking tot destructie);
  • de Diergeneesmiddelenwet;
  • de Wet op de dierenbescherming;
  • de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990; 
  • de Kaderwet diervoeders.

Ook onderdelen van de Landbouwwet en de Landbouwkwaliteitswet, waaronder de regels op het gebied van vleeskeuring en illegale groeibevorderaars, zijn in deze wet terug te vinden. Centraal thema is dat dieren wettelijk gezien ''wezens met gevoel'' zijn. Belangrijk uitgangspunt voor de wet is de intrinsieke waarde van dieren. Dit betekent dat de eigenwaarde van dieren, zijnde wezens met gevoel, wettelijk is erkend.

Bij wet is bepaald dat dieren vrij moeten zijn van:

a. dorst, honger en onjuiste voeding;
b. fysiek en fysiologisch ongerief;
c. pijn, verwonding en ziektes;
d. angst en chronische stress;
e. beperking van hun natuurlijk gedrag;
''voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd''.

Dit zijn zogeheten open normen. De erkenning van de eigenwaarde van dieren houdt niet in dat de Wet Dieren een instrument is om het welzijn van dieren beter te waarborgen. De Wet dieren heeft niet expliciet als doel om het beschermingsniveau voor dieren te verhogen, zo stel bureau Berenschot in een in 2020 uitgevoerde evaluatie vast. Het uitgangspunt van de Wet dieren is de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier (artikel 1.3 Wet dieren). Maar doordat deze grondslag onvoldoende handvatten voor de praktijk biedt, is de waarde hiervan voor het beschermingsniveau van dieren in de praktijk onvoldoende, aldus Berenschot.


''Uit de erkenning in de wet dat elk dier een eigen zelfstandige waarde heeft, onafhankelijk van de gebruikswaarde die de mens eraan toekent, volgt geen concreet normatief gevolg. In de maatschappij leven verschillende opvattingen over wat de intrinsieke waarde van het dier behelst. Voor de een betekent deze waarde dat dieren gevrijwaard van menselijk ingrijpen moeten zijn, voor de ander dat menselijk ingrijpen wel is toegestaan, mits het welzijn van de dieren niet wordt aangetast. Omdat een eenduidige interpretatie van de betekenis van intrinsieke waarde niet te geven is, is derhalve niet voorzien in een nadere duiding van dit begrip in het wetsvoorstel. Erkenning van de intrinsieke waarde van het dier heeft daarom vooral als doel om de rechtspositie (het belang van het dier in de afweging van belangen) van het dier te versterken.''  Eindrapport Evaluatie Wet Dieren, Bureau Berenschot  2020


De Wet Dieren is vooral een raamwet. De wet stelt een beperkt aantal regels en biedt daarnaast de mogelijkheid allerlei zaken te regelen in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB´s) en ministeriële regelingen, zoals het verstrekken en verkopen van diergeneesmiddelen, het vervoeren van dieren, het fokken van dieren, welke dieren wel en niet mogen worden gehouden (positieflijst) en het doden van dieren.

Ook de juriste Janneke Vink heeft veel kritiek op de wettelijke bescherming van dieren. Ons land loopt achter, stelt ze vast. Dieren zijn voor het behartigen van hun belangen nog steeds afhankelijk van de welwillendheid van mensen, aldus Vink. Als het erop aankomt, gaan menselijke belangen voor. Dan blijkt de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier uitsluitend van toepassing op de staat: die moet bij het opstellen van wetten en regels daarmee rekening houden. In de praktijk mag de integriteit van het dier worden aangetast als dat ''redelijkerwijs'' noodzakelijk is. Lees hier meer over de opvattingen van Janneke Vink.

Overige (algemene) regelgeving:

Terug naar:

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier