Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Scrapie

Scrapie is een hersenziekte. De meest voorkomende verschijnselen zijn: afwijkend gedrag (dromen, smakken, geen koppelgedrag), krabben (jeuk), onrust, schrik en trillen, vermageren, dorre grauwe vacht. Scrapie is net als BSE een TSE (Transmissible Spongiform Encephalopathy), maar is in tegenstelling tot BSE niet schadelijk voor mensen. De Europese Unie gebruikt sinds 2005 een test die BSE en scrapie goed van elkaar kan onderscheiden. BSE is niet bij schapen aangetroffen. 

Scrapie komt in Nederlannd bijna niet meer voor bij schapen en geiten. Tot juli 2018 was het enige bekende geval bij Nederlandse geiten een koppel dwerggeiten. In juli 2018 maakte de NVWA gevallen van scrapie bekend bij vier geitenbedrijven. 

Scrapie is overdraagbaar van volwassen ooien op hun lammeren.
De dieren zijn zeer vatbaar voor stoffen uit de melk of voor melkproducten, afkomstig van schapen of geiten met scrapie. Ook wanneer de dieren waar deze producten van afkomstig zijn geen klinische verschijnselen vertonen. Ooien kunnen de ziekte overdragen via melk of melkproducten terwijl de ziekte zich in de incubatietijd bevindt.

Scrapiebestrijding
Scrapie kan worden vastgesteld door onderzoek aan de kop van een dood dier. Tot 2007 was er een fokprogramma. Uit voorzorg werd bij de slacht risicomateriaal zoals hersenen en ruggenmerg verwijderd en verbrand, om ieder risico voor de volksgezondheid uit te sluiten. Ook mogen in het Voeding van schapen van schapen en geiten geen dierlijke eiwitten van zoogdieren worden verwerkt om de kans op TSE’s te verkleinen. Daarmee is een belangrijke infectieroute bij voorbaat afgesneden.

Genotype ARR/ARR
Er is een genetisch bepaald verschil in gevoeligheid voor scrapie. De genetisch minder gevoelige dieren hebben het genotype ARR/ARR. Uitsluitend gebruik van rammen met dit genotype zou op den duur de gevoeligheid van de gehele schapenpopulatie verminderen. Ook bij schapen van dit genotype is echter zowel a-typische als klassieke scrapie aangetroffen.

Fokschapen
Schapenfokkers kunnen hun fokdieren laten onderzoeken op vatbaarheid voor scrapie. In Nederland is het mogelijk de test te laten uitvoeren bij het Dr. Van Haeringen Laboratorium, bij de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) en via de Nederlandse Schapen en geiten Fokkers Organisatie (NSFO).

Export
Scrapie speelt nog wel een rol bij de export van schapen. Op basis van Verordening 999/2001 kunnen fokschapen alleen worden geëxporteerd
als ze:
1. genotype ARR/ARR hebben of
2. afkomstig zijn van een scrapie-onverdacht bedrijf op basis van het
zogenaamde koppenonderzoek.

Per 1 januari 2014 heet een bedrijf dat gedurende drie jaar met goed gevolg heeft deelgenomen aan het koppenonderzoek ‘een bedrijf met
een gecontroleerd scrapie-risico’. Bij zeven jaar deelname wordt nu gesproken van ‘een bedrijf met een verwaarloosbaar risico’. Voor dieren,
embryo’s en sperma gelden dezelfde voorwaarden. Oostenrijk, Zweden, Denemarken en Finland eisen bij import nu zeven jaar deelname aan
het koppenonderzoek, ook voor mestdieren. In de andere lidstaten geldt een termijn van drie jaar en alleen voor fokdieren. Voor slachtdieren gelden in geen van de lidstaten extra eisen. Omdat genotypering bij geiten nog in de kinderschoenen staat is export van fokgeiten alleen mogelijk bij deelname aan het zogenaamdekoppenonderzoek.

Voor scrapie geldt een meldingsplicht. Wanneer scrapie optreedt op een schapen- of geitenbedrijf, worden alle geiten geruimd, behalve de schapen die het genotype ARR/ARR hebben.

Terug naar:

Aanbevolen door Levende Have

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier