Vogelgriep uitgebroken!

Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Hooi

Hooi

Wie voor zijn schapen, geiten, paarden, runderen of ezels een wintervoorraad aan willen leggen van het eigen gras, heeft drie mogelijkheden: hooi, grasbalen of kuilgras. Hooi is de meest bekende vorm: eenvoudig op te slaan en het bederft niet snel. In plastic gewikkelde grasbalen zijn geschikt voor dierhouders met minder dan twintig runderen, schapen of paarden. Kuilgras is interessant vanaf twintig dieren.

Weersomstandigheden
Voor alle drie geldt: bij het oogsten is bestendig warm en droog zomerweer een vereiste. Is het voer bestemd voor hobbydieren, dan kan de oogst beginnen als de aren van het gras volop zichtbaar zijn. Er zit dan voldoende structuur in het gras en dat goed is voor de vertering. Het beste is gras te maaien met een balkmaaier. Er komt minder zand in het voer dan bij gebruik van een cirkelmaaier. Balkmaaiers vragen wel meer onderhoud en kunnen minder hectaren per uur maaien.
Na het maaien volgt het dagelijkse schudden. Is het gras zover droog dat het geschikt is voor de wintervoorraad, dan kan het bij elkaar geharkt worden op lange rijen. Als hobbydierhouders geen werktuigen tot hun beschikking hebben, kan een naburige boer een helpende hand bieden bij het maaien, hooien en harken. Voor het maken van balen of inkuilen is bijna altijd een loonwerker nodig.

Tijdstip van hooien
Door in de zomer 's morgens vroeg te maaien en het gemaaide gras direct te schudden ontstaat het beste hooi. Proeven zijn uitgevoerd in Zegveld. Daar is een weiland onderverdeeld in acht vakken. Per vak kreeg het gras op de dag van maaien een aparte behandeling. Elke dag zijn monsters genomen, om het droge stof gehalte  te bepalen. Daaruit bleek dat meteen schudden na het maaien leen flinke (droog)winst oplevert, vooral bij vroeg maaien. Deze winst houdt twee dagen stand; dan is de droge stof ongeveer 65 procent. Bij vroeg op de dag maaien is het gemaaide gewas de tweede dag droger dan bij laat maaien. Kneuzen maakt geen verschil in droogsnelheid. Maar bij kneuzen is het suikergehalte in het hooi wel fors minder (123 versus 142 g/kg ds). 
De verschillen laten zich vooral gelden bij wat minder goed weer. Bij goed drogend weer zijn er op dag drie en vier nauwelijks verschillen meer in droge stof percentage. De uitkomst is strijdig met het algemeen geldende advies om ’s middags te maaien, zodat het gras op stam is gedroogd en het suikergehalte verder is opgelopen door de zon

Hooi persen
Hooi kan als de knopen op de grasstengels helemaal droog zijn - vijf tot zeven dagen na het maaien - in balen geperst worden. Het heeft dan een drogestofgehalte bereikt van tachtig procent. Als het gras al na vijf dagen in de baal zit, kunnen de balen het beste nog twee dagen op het veld blijven staan. Pas na een week is het gras zover afgestorven dat hooibroei (dat kan ontaarden in brand) niet meer voorkomt.
Vast persen voorkomt dat de baal veel stof bevat. Hoe langer het hooi in de opslag ligt, hoe groter de kans dat er stof in de baal dringt. Door het oude hooi een kwartier onder te dompelen in water, spoelt het stof eruit en krijgt het zijn originele smaak weer wat terug. Mits droog opgeslagen, behoudt het hooi gedurende twee jaar zijn kwaliteit.

Baal of kuil
Is het gras gemaaid om kuilgras te winnen, dan kan de loonwerker het eindproduct persen in grote balen en daaromheen plastic folie wikkelen of er een kuil van aanleggen. Het gras moet bij beide technieken een drogestofgehalte hebben van minimaal vijftig procent. Bij deze droogheid zetten melkzuurbacterien de suikers in het product goed om in melkzuur. Melkzuur zorgt ervoor dat de baal of de kuil langdurig geconserveerd blijft.
Stapel grasbalen bij voorkeur niet op elkaar. Soms gaan de balen schuiven en ontstaan er gevaarlijke situaties. Balen zijn zeker drie jaar houdbaar. Na het openen blijft een baal maximaal een week goed. Het is dus handig om de grootte van de baal af te stemmen op de hoeveelheid voer die de dieren wekelijks eten.
Ook de omvang van een kuil moet afgestemd zijn op de hoeveelheid dieren. Om bederf (schimmelvorming en broei) te voorkomen moet er elke week minimaal één meter van de kuil gevoerd worden. Smalle kuilen die niet hoog zijn (maximaal één meter) hebben de voorkeur. Voor een hobbydierhouder met bijvoorbeeld twintig koeien betekent dit dat de kuilen vaak niet breder zijn dan drie à vier meter. Een laagje zand houdt de kuil langer houdbaar en voorkomt dat vogels door het plastic pikken.

Kuilvoer en listeria
De Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) waarschuwt voor de gevaren van kuilvoer voor schapen en geiten. In het kuilvoer kunnen zich Listeria-bacteriën bevinden. Die veroorzaken listeriose, een ziekte die zich kan uiten in hersenonsteking (draaiziekte), een acuut verlopende bloedvergiftiging of verwerpers in de tweede helft van de dracht. Geiten en schapen zijn gevoeliger voor deze bacterie dan bijvoorbeeld runderen. De GD adviseert alleen kuilgras te voeren dat onder ideale omstandigheden is geoogst. Om listeriose te voorkomen is het belangrijk dat kuilgras geen grond bevat, aldus de GD. Ongelijk liggende percelen met molshopen en onverharde kuilplaatsen vormen dus extra risico. Daarnaast is een goed kuilproces in een goed aangereden en afgesloten kuil of goede ronde balen een voorwaarde. Een snelle daling van de zuurgraad is nodig om te voorkomen dat de Listeria-bacterie zich snel gaat vermenigvuldigen.

Hooi kopen
Wie niet zelf kan hooien, moet het kopen. Voor het verkrijgen van hooi is de dierhouder vaak afhankelijk van de handel. In Nederland wordt niet zoveel hooi meer gewonnen in de agrarische sector, dus zijn partijen hooi vaak afkomstig uit het buitenland. Ook worden partijen afkomstig uit natuurgebieden aangeboden.
Een goede voedingswaarde is eerste vereiste. Deze kwaliteit kun je bepalen door hooi te laten analyseren, maar een analyse kost al gauw tegen de 60 euro. Voor kleinverbruikers is dat duur. Het bekijken, voelen en ruiken van het hooi kan ook belangrijke informatie opleveren over de voedingswaarde.
Zodra hooi er grijs uitziet, muf ruikt en bij het uitschudden witte wolken verspreidt, is het niet goed. Daar kunnen schimmels in zitten die voor dieren heel gevaarlijk zijn. Meestal zijn het schimmels die thuishoren in de uitgebreide groep Aspergillus. Paarden die hier via het hooi veel van binnenkrijgen, kunnen last krijgen van dampigheid. Grijze of grijsbruine plekken in het hooi kunnen ook op broei duiden. Dergelijk hooi kan beter niet gevoerd worden.

Lekker winkelen zonder zorgen - Gratis verzending en retour