Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

‘We willen dat dieren floreren, daar zijn nieuwe ontwerpen voor nodig’

Ingediend door jinke op 04 oktober 2021 - 16:29

Hans Hopster over dierenwelzijn en de noodzaak van een grote sprong voorwaarts
‘We willen dat dieren floreren, daar zijn nieuwe ontwerpen voor nodig’

Hans Hopster, de eerste lector dierenwelzijn van Nederland, is na veertig jaar onderzoek en beleidsadvies, weer eigen baas. Een schat aan ervaring en inzichten rijker. De vijf vrijheden van Brambell, die jarenlang richtinggevend waren voor het dierenwelzijnsbeleid, zijn wat hem betreft niet meer voldoende. Dierenwelzijn is meer dan de afwezigheid van honger, dorst, pijn en stress. ‘’We willen ook dat dieren floreren. Daar zijn nieuwe ontwerpen voor nodig. Het is tijd voor een grote sprong voorwaarts’’. 

Levende Have sprak met Hopster online, daags na zijn afscheid. Op de website van zijn voormalig werkgever Wageningen University & Research (WUR) staat hij vermeld als ‘’extern medewerker’’.  Inmiddels heeft hij ook zijn eigen adviesbureau. Omdat er nog genoeg te doen valt en hij zijn ervaring daar graag voor wil inzetten. Stilzitten zit niet in zijn aard. Hij rondt nog klussen af voor WUR en heeft inmiddels ook nieuwe uitdagingen aangenomen. Leeftijd is voor hem geen issue, met een vitale moeder van 102 lijkt er nog genoeg tijd in het verschiet.

Velen kennen Hopster van overlegcircuits, onderzoekstafels, commissies en al die andere gremia die in ons land zijn opgetuigd voor een beheersbaar samenleven met meer dan 150 miljoen dieren. Zelf heb ik Hopster veelvuldig ontmoet bij de Raad voor Dierenaangelegenheden, waar ik hem leerde kennen als een heldere, onafhankelijke geest en een bron van kennis op het gebied van dierenwelzijn. Hij liep in vele opzichten voor de troepen uit, zonder het contact met de vertegenwoordigers van de vee-industrie of gewone boeren en houders van hobby- en gezelschapsdieren te verliezen. Over zijn drijfveren zegt hij nu: ‘’We moeten dieren meer dan dankbaar zijn. Ze hebben ons zoveel gegeven. Zonder de domesticatie van dieren had de moderne mens zich nooit kunnen ontwikkelen tot wie wij nu zijn. Quid pro quo: voor wat, hoort wat. Wij zijn zondermeer verplicht hen een goed leven te bieden. A life worth living.’’

De recente geschiedenis overziend lijkt er weinig progressie te zitten in het welzijn van landbouwhuisdieren. Wat zijn volgens jou op dit moment de belangrijkste verbeterpunten in de houderijsystemen?
‘’Sinds 1980, het jaar waarin ik ben begonnen, zijn er belangrijke stappen gezet. De diergezondheidszorg is sterk verbeterd. Sociale dieren, zoals kippen, varkens, kalveren, koeien, zijn niet meer individueel gehuisvest maar in groepen. Dat komt tegemoet aan hun sociale natuur. Dat heeft overigens ook geleid tot nieuwe problemen. Denk aan verenpikken, kannibalisme, staartbijten. Dat zijn weerbarstige zaken. 

‘’Als themaleider van het beleidsondersteunend onderzoek werd ik destijds gevraagd om nieuw onderzoek rond staartbijten te ontwikkelen. Maar als je daarbij niet een duidelijk ander perspectief op de houderij hanteert, leek mij dat niet erg zinvol. Een collega van mij heeft dat toen opgepakt, maar is tegen dezelfde, bekende restricties aangelopen en heeft ook geen oplossing kunnen vinden. Wat we dan wel moeten doen? Bij voorbaat goed nadenken over waar de schoen wringt en vaststellen waar je tegen systeemgrenzen aanloopt. En dan experimenteren met een ander houderijsysteem. 

‘’Ik hoop vurig dat daar meer ruimte voor komt. Bij mijn afscheid presenteerde Jaap Koolhaas (emeritus-hoogleraar gedragsfysiologie Rijks Universiteit Groningen) een alternatieve visie op natuurlijk gedrag en dierenwelzijn. Hij betoogde dat we dieren vooral de ruimte moeten geven om bij het kiezen van omgevingscondities meer hun eigen voorkeuren te volgen. Dieren zijn zelf het best in staat om hun behoeftes op enig moment in gedrag tot expressie te brengen teneinde deze te bevredigen. Dat is iets meer dan alleen de deuren openzetten. Want stel dat je alleen de deuren openzet en alle varkens geven de voorkeur aan dezelfde wroetplek, dan ontstaat daar een schaarsteprobleem met competitie en agressie tot gevolg. Nog afgezien van de milieuproblematiek natuurlijk, bij de huidige aantallen dieren. Het betekent in elk geval dat je per dier veel meer ruimte nodig hebt. Of als die ruimte ontbreekt, minder dieren. 

‘’We zullen een oplossing moeten zoeken tussen de gangbare veehouderij en een veehouderij als die van Kees Scheepens, de varkenshouder die zijn dieren buiten houdt. Wat is haalbaar als je je dieren een goed en plezierig leven wilt geven? De meeste vleesvarkens worden nu nog gedwongen op het toilet te slapen en te eten. En ze vervelen zich rot. We weten heel goed in welke richting we oplossingen moeten zoeken, maar zijn afhankelijk van de koopkracht in de markt. Ik heb nu mijn eigen adviesbureau en wil daar best tijd aan besteden. De kunst wordt consumenten mee te nemen bij het zoeken naar alternatieven en goedwillende ketenspelers en dierhouders daarbij maximaal te ondersteunen.

‘’Nee, ik heb geen missie, anders dan hierboven aangegeven. Dierenwelzijn is wel mijn passie. Ik kan feiten en oplossingsrichtingen aandragen. Maar, zoals het Rathenau Instituut onlangs in haar rapport ‘Vertrouwde wetenschap’ formuleerde: “wetenschappelijke kennis kan nooit dicteren wat wenselijk beleid is; hiervoor is een politieke afweging nodig’. De politiek moet uiteindelijk alle belangen afwegen, als onderzoeker moet ik me daar niet mee bezig houden. Verandering van de veehouderij is een maatschappelijk, democratisch proces. Iedereen kijkt daar vanuit het eigen perspectief naar. We zullen daarover het gesprek moeten blijven aangaan. Het publieke debat over dierenwelzijn mag niet verstommen.’’

Wat is nodig: doorgaan met kleine stapjes of een grote sprong voorwaarts?  
‘’Een grote sprong voorwaarts, maar er zal niet één oplossing zijn. Het is essentieel vanuit het dier na te denken en niet meer te accepteren dat de vijf vrijheden van Brambell wel voldoende zijn. Er is duidelijk een beweging gaande dat je dieren niet alleen moet behoeden voor het kwade. We willen ook dat dieren floreren, zoals filosofe Martha Nussbaum dat noemt. Daar zijn nieuwe ontwerpen voor nodig. Er zijn al veel mooie, nieuwe ideeën, maar die lopen vast in toepassing en opschaling door economische randvoorwaarden. Belangrijk is dat (super)markten dit actiever ondersteunen, consumenten ervoor willen betalen en boeren die het beter doen daarvoor worden beloond. 

’De overheid zou meer aan bewustwording moeten doen, ook al ligt dat moeilijk in onze neoliberale samenleving. Ik ben zelf een sociaal liberaal. Mensen moeten hun eigen keuzes kunnen maken, maar dat gaat in dit geval toch knellen. Nu worden de consequenties van die keuzevrijheid afgewenteld op onze leefomgeving en het dier. Het liberale denken zal op dit punt moeten worden bijgesteld. Ik zeg het met enige schroom, maar hier ligt een duidelijke taak voor de overheid. Net als bij de afspraken over klimaat, het akkoord van Parijs, moet de overheid voor het welzijn van dieren duidelijker de regie nemen en heldere keuzes maken. Bij veel mensen prevaleert het eigenbelang boven het collectieve belang. Dat is niet raar, maar wel een feit. We realiseren ons ook nog te weinig dat veel mensen het niet breed hebben en noodgedwongen beperkt zijn in hun keuzes. Dat zijn er meer dan we moeten willen. Als je het aan de markt overlaat, zoals nu nog gebeurt, dan zul je er minimaal voor moeten zorgen dat consumenten weten waarvoor ze kiezen. De meesten hebben nu geen idee. Hoe kun je dan een moreel verantwoorde keuze verwachten? 

‘’Voorlopig zullen we een duale ontwikkeling moeten nastreven. We kunnen niet anders dan de productie en export van dierlijke producten binnen de ecologische draagkracht brengen. Naast het verkennen van nieuwe ontwerpen, zal binnen bestaande houderijsystemen meer aandacht moeten komen voor dierenwelzijn. Met behulp van camerasystemen, sensoren en kunstmatige intelligentie kan de veehouder met veel dieren worden ondersteund in de zorg voor het individuele dier. Daarnaast is een sterke ontwikkeling van plusconcepten mogelijk. De productie voor de lokale markt kan toenemen. Het is moeilijk te voorspellen welk systeem straks het grootste wordt; het bestaande systeem of de nieuwe systemen. Dat is ook afhankelijk van wat er gebeurt met de ontwikkeling van alternatieven voor de huidige dierlijke eiwitten. Stel dat het kweekvlees echt doorbreekt, dan kan het hard gaan.’’ 

Natuurlijk gedrag
Onderdeel van dierenwelzijn is het kunnen vertonen van natuurlijk gedrag. Zo staat het althans geformuleerd in de Wet Dieren. In het artikel ‘Assessing the importance of natural behavior for animal welfare’ (2006) geeft Hans Hopster, samen met zijn collega-onderzoeker Marc Bracke, een definitie van natuurlijk gedrag: dat is gedrag ‘’dat dieren geneigd zijn te vertonen onder natuurlijke omstandigheden, omdat dit gedrag plezierig is en het biologisch functioneren bevordert.’’ In een toelichting schrijven ze dat het ook kan gaan om gedrag dat voortkomt uit aanpassing aan de omgeving – zoals koeien die zich automatisch laten melken of voeren - of uit evolutionaire aanpassing. Ze maken daarbij onderscheid tussen gedrag dat voortkomt uit interne motivatie en uit externe motivatie. Belangrijk is dat dieren plezier beleven aan het vertonen van een bepaald gedrag, dat het hen wat oplevert. Een ‘positive mental state’. 

Hoe kijk je anno 2021 aan tegen het belang, de noodzaak van het kunnen tonen van natuurlijk gedrag?
‘’Onze visie van destijds was niet zo heel slecht. Natuurlijk gedrag is een complex fenomeen. Daarbij wil ik graag opmerken dat natuur niet vanzelfsprekend goed is. Lorraine Daston (Amerikaans wetenschapsfilosofe, JH) heeft daar interessante dingen over gezegd. De natuurlijke orde kun je niet zomaar gelijkstellen aan de morele orde, stelt zij. Ondertussen wordt aan hetgeen natuurlijk is in onze samenleving een enorm groot gewicht toegekend. En terecht. Je kunt er niet omheen dat bepaald gedrag is vastgelegd in het DNA. Zo kan een varken niet zonder foerageergedrag, kippen niet zonder scharrelen, koeien niet zonder grazen – dat zijn aspecten van het gedrag die heel essentieel zijn. 

‘’Hoe onderscheid je die gedragsaspecten nu van wat niet essentieel is? Doe je dat alleen door te kijken naar de nadelen als dat gedrag niet vertoond kan worden? Of kijk je ook naar de voordelen als dat gedrag wel vertoond kan worden? Van belang voor het dier zijn de beloningsmechanismen in de hersenen. Dieren ervaren bepaald gedrag als plezierig. Die positieve ervaringen horen erbij als je een houderijsysteem wilt beoordelen. Iets goedkeuren omdat negatieve ervaringen ontbreken, is niet voldoende.  Maar het is lastig om positieve ervaringen vanuit de wetenschap aan te wijzen. Als je probeert iets te weten te komen over de behoeftes van dieren, kom je al vrij snel in een reductionische aanpak terecht, terwijl behoeftes onderling sterk samenhangen en ‘de mental state’ van een dier zich lastig laat vangen in zichtbare verschijnselen. Of zoals Le Petit Prince het kernachtig samenvatte: "Het wezenlijke is onzichtbaar voor de ogen".

‘’Ik denk dat we meer moeten gaan nadenken over de voorwaarden voor het houden van dieren, vanuit het dier bekeken. Daar kan een gids voor goede praktijken uit voortkomen die een jaar of twintig mee kan, zodat houders weten wat er van hen verwacht wordt en daarin kunnen investeren. Gedurende die periode kunnen we de nieuwe condities waaronder we dieren houden, evalueren. Als het met management beter kan, is dat tussentijds gemakkelijker bij te stellen. Daarvoor is het nodig dat er feiten worden verzameld en dat de discussie zuiver en oplossingsgericht wordt gevoerd. Zonder elkaar direct op die feiten af te rekenen. Dierenwelzijn is nu veel te veel een politiek onderwerp. Dat Dier&Recht laatst de zuivel aan de schandpaal heeft genageld door de scheiding van kalf en koe als ernstig lijden aan te merken is daar een voorbeeld van. Dat is proberen onwetenden te manipuleren, niet anders dan zoals supermarkten dat doen.’’

Aangepaste dieren
Collega van Hans Hopster, hoogleraar diergedrag Saskia Arndt, zei bij het aanvaarden van het ambt aan de Universiteit van Utrecht: ‘’Vandaag beheersen wij de mogelijkheden tot aanpassing van het dier bijna tot in de perfectie. Naast gericht fokbeleid manipuleren wij genen, bepalen we het uiterlijk, kappen snavels, knippen staarten, onthoornen, bepalen groepsgrootte en -samenstelling.''

Zijn dieren in de intensieve veehouderij niet inmiddels genetisch zodanig aangepast dat het natuurlijk gedrag er niet meer toe doet? Of blijft er nog genoeg gedrag over waar houderijsystemen veel meer op ingesteld zouden moeten worden?
‘’Het is niet of/of. Ja, er treden veranderingen op in dieren. Het maternaal gedrag van melkkoeien bijvoorbeeld is nu minder uitgesproken. Er is ergens een stukje in vermoedelijk de epi- en ontogenetische basis losgekoppeld. Vergeleken met zoogkoeien zijn melkkoeien veranderd, maar die verandering is eerder kwantitatief dan kwalitatief. Als je naar andere eigenschappen kijkt, zijn er geen verschillen. Je kunt ook melkkoeien bijvoorbeeld nog steeds geen ruwvoer onthouden. Een koe moet herkauwen. Dat is zo elementair. Hetzelfde geldt voor de éénmagigen, de varkens en de kippen. Die moeten veel tijd kunnen besteden aan foerageren. Kunnen ze dat niet, dan heb je een groot probleem. Op bepaalde eigenschappen kan wel scherp geselecteerd worden. De evolutie is gebaseerd op variatie en die variatie kun je gebruiken. Maar je moet er altijd goed over nadenken of je dat moet willen. 

‘’Het kan bij sommige eigenschappen. Zoals fokken op hoornloze koeien. Ik vind dat een goede ontwikkeling, die wat mij betreft zelfs nog wel wat versneld mag worden. Hoornloosheid komt bij tal van koeienrassen voor, evolutionair gezien zijn er blijkbaar niet al te veel nadelen aan koeien zonder hoorns. In de huidige ligboxenstallen zijn de voordelen groter dan de nadelen. Onthoornen van kalveren is een vervelende ingreep, ondanks verdoving en pijnbestrijding beschadig je het jonge, kwetsbare dier. Het zou mooi zijn als dat niet meer hoeft. Maar je krijgt volgens mij voorlopig nog niet alle handen op elkaar voor het einde van de gangbare praktijk. Dan kun je maar beter kijken hoe je die praktijk kunt verbeteren.  Dat geldt ook voor het kalf bij de koe, hoewel we daar nog niet echt alle voors en tegens van kennen.’’

Je hebt veel bemoeienis gehad met de positieflijst. Een gebed zonder end, lijkt het. Waarom verloopt de totstandkoming van die lijst zo traag? Welke oorzaken zijn daarvoor aan te wijzen?
‘’De overheid heeft uit pragmatische overwegingen besloten om tot een duidelijke lijst te komen. Het alternatief is voorwaarden stellen aan de houderij van dieren, maar dat is ingewikkeld. Dat leidt tot een grote handhavingslast. Juridisch gezien is het simpeler om te zeggen: deze soort mag wel en deze niet. Maar die keuze dient degelijk te worden onderbouwd wil deze juridisch houdbaar zijn. We hebben geprobeerd ons te schikken naar het Andibel-arrest, de uitspraak van het Hof van Europa die voorschrijft waar een dergelijke lijst aan moet voldoen.  

‘’We hebben gekozen voor een aanpak, voor een lijst op basis van wetenschappelijke kennis én kennis vanuit de praktijk. Het ging in totaal om ruim 250 zoogdiersoorten, waarover soms heel weinig kennis beschikbaar was. We hebben een commissie samengesteld met deskundigen, uit en aangewezen door de praktijk, voor- en tegenstanders, en uit de wetenschap. Dat is mijns inziens de enig juiste aanpak. Zoals de filosoof Immanuel Kant reeds betoogde: “Ervaring zonder theorie is blind, maar theorie zonder ervaring is niet meer dan een intellectueel spelletje”. Er is destijds vergaderd in 43 marathonsessies, we hebben zelfs met de Kerstdagen doorvergaderd. Ik neem nog altijd mijn petje af voor degenen die dat allemaal in hun vrije tijd hebben gedaan. 

‘’Het resultaat is met succes aangevochten door het Platform Verantwoord Huisdierbezit. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft vervolgens in 2015 het verbod op het houden van twee diersoorten op de lijst, blafherten en spiesherten, vernietigd. Een belangrijk argument was dat de commissie niet onafhankelijk was. Dat was natuurlijk onzin; de commissie had een onafhankelijk voorzitter en voldoende checks en balances. Het ministerie van LNV heeft de gehanteerde aanpak mijns inziens onvoldoende verdedigd. Ik denk omdat ze het belang daarvan hebben onderschat.  Men heeft zich onvoldoende gerealiseerd wat de consequenties zouden kunnen zijn als de rechtszaak verloren werd. Daarna moest alles weer opnieuw en is er een nieuwe commissie gekomen en voor een nieuwe aanpak gekozen. Ik zat niet in die commissie, maar was wel adviseur. Op dit moment schijnt er een nieuw advies over de zoogdierenlijst bij demissionair minister Schouten te liggen. Ik ben benieuwd wat ze daarmee gaat doen, het zou me niet verbazen als ze het doorschuift naar het volgende kabinet.

‘’Wat het allemaal zo moeilijk maakt? Je moet criteria ontwikkelen op grond waarvan dieren wel en niet gehouden mogen worden. Je moet alle wetenschappelijke kennis verzamelen over heel veel diersoorten, met name exotische diersoorten. Alleen al het bepalen welke diersoorten er in Nederland worden gehouden en in de beoordeling moeten worden opgenomen, vergde een enorme inventarisatie, met name bij de dierhouders zelf. Bij de diersoorten die we aangereikt kregen, zaten ook soorten die allang uitgestorven waren. We kregen wel elf muntjakondersoorten en ook een uitgestorven muizensoort die alleen nog maar in het natuurhistorisch museum in Zuid-Afrika te zien was.

''Er is nadrukkelijk door tegenstanders van de lijst zand in de machine gestrooid. Er was een flinke weerstand. De lijst waar we mee kwamen is niet alleen bij de rechter aangevochten, er is respectloos op de man gespeeld in de vorm van een dienstdoende ambtenaar die aan de schandpaal werd genageld. Terwijl de betreffende persoon de wensen van een democratisch genomen besluit in beleid probeerde te vertalen en daarbij hooguit wat onhandig handelde. Wat er nu ligt zal zeker ook weer aangevochten worden. Daar kun je vergif op innemen. Het ministerie van LNV heeft niet voor niks gezegd: we wachten nog even met het opstellen van een lijst voor vogels en herpetofauna.’’

Wetenschap beoefenen en onderzoek doen in het meest veedichte land ter wereld, daarbij moet je soms op eieren lopen. Hoe vrij was/ben je vergeleken met je collega's in het buitenland? Ben je belemmerd in je onderzoek? Heb je altijd kunnen doen wat je wilde doen?
‘’Ik ben ooit begonnen als Rijksambtenaar. Het veeteeltkundig onderzoek was toen onderdeel van het ministerie van Landbouw & Visserij. We werden gedreven door nieuwsgierigheid, hadden vrijheid om te experimenteren. Daarna werd het onderzoek op afstand van L&V geplaatst en vooral gericht op het vergroten van de impact: met de verworven kennis moesten problemen in de praktijk worden opgelost. Sinds het topsectorenbeleid van Maxime Verhagen ligt de regie helemaal bij de sector. Dat heeft voor- en nadelen. Voordeel is dat je de sector meeneemt in wat je wilt onderzoeken, je bent veroordeeld tot elkaar en hebt de plicht om samen te werken. Dat levert een snelle doorstroming van kennis op naar de praktijk, maar het heeft ook beperkingen. Je kunt geen hele grote stappen maken. Afgelopen tien jaar is de overheid met betrekking tot dierenwelzijn haar leidende rol kwijtgeraakt. Natuurlijk moet er gekeken worden naar hoe de bestaande praktijk verbeterd kan worden, maar het loslaten van de bestaande praktijk, nieuwe praktijken ontwikkelen en onderzoeken – dat is de afgelopen tien jaar heel weinig gebeurd. We zijn toe aan een nieuw prioriteitenprogramma, waarbij de overheid de leiding neemt, waarbij gestreefd wordt naar een integrale aanpak, met grote stappen richting een beter dierenwelzijn.’’

(Interview Jinke Hesterman/Foto Judith Kranendonk-Mulder)


Wie is Hans Hopster?
Dr. ing. Hans Hopster promoveerde in 1998 aan de Universiteit van Wageningen op ethologisch en stressfysiologisch onderzoek naar coping strategieën bij melkkoeien. Hierna werkte hij als onderzoeksleider bij het Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid – Dienst Landbouwkundig Onderzoek (ID-DLO). Van 2003 tot 2021 was Hopster lector Welzijn van Dieren aan de Hogeschool Van Hall Larenstein en themaleider van het beleidsondersteunend onderzoek naar het welzijn van dieren bij Wageningen Livestock Research. 
Hij is gespecialiseerd in dierhouderij in het algemeen en deed onderzoek naar de verschillende factoren die van belang zijn voor het welzijn van dieren. Hopster bestudeerde het gedrag en de gezondheid van productiedieren (koeien, pluimvee, varkens) en niet-productiedieren (circusdieren, gezelschapsdieren, agressieve honden). Zijn onderzoek legde de wetenschappelijke basis voor een wettelijke verbod op het gebruik van wilde dieren in circussen en het opheffen van het verbod op honden van het Pitbulltype. 
Recent ontwikkelde hij een systematiek voor het inschatten van risico's van het houden van bijzondere zoogdieren door particulieren: de Positieflijst. Hij heeft talrijke publicaties op zijn naam staan. Liefde maakt blind en Denken over dieren illustreren zijn interesse in de relatie tussen mens en dier. In de presentatie Beter voor dieren? legt hij uit hoe onze omgang met dieren in de afgelopen 50 jaar is veranderd.
https://www.sg.uu.nl/video/2017/09/beter-voor-dieren

Dossier

Aanbevolen door Levende Have

NIEUW! Dierenwelzijn, de wet en natuurlijk gedrag €14,95
Bestellen? Klik hier

Dierenwelzijn, de wet en natuurlijk gedrag 

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier