Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Wat is het nut van een hooianalyse?

Ingediend door jinke op 27 april 2017 - 20:15

door Jinke Hesterman

De meeste landbouwhuisdieren doen het prima op een rantsoen van hooi. Structuurrijk voer, dat is goed voor ze. Bijvoeren met brok kan, maar hoeft niet, mits het hooi van voldoende kwaliteit is. Maar wat houdt dat precies in? Bij BLGG AgroXpertus hebben ze een rijke ervaring met het nemen van monsters van bodem en hooi. De monsternemers van dit bedrijf zijn dagelijks op pad, vooral voor melkveehouders. De uitslagen van de analyses worden ingelezen in rantsoenberekeningsprogramma’s en zo kan de boer precies zien of en waarmee hij moet bijvoeren.

Sinds kort is BLGG AgroXpertus ook op paardengebied actief. Aan de hand van een hooimonster van circa 500 gram stelt het bedrijf een overzichtelijk rapport samen met de aangetroffen voederwaarden, mineralen en sporenelementen, inclusief streefwaarden en gemiddelden. Op die manier krijgt de aanvrager een goed inzicht in de plus- en minpunten van het hooi, de structuurwaarde, het gehalte aan droge stof, de energiewaarde van het hooi, het verteerbare ruw eiwit, suiker, ruwe celstof, mineralen en sporenelementen. Kosten basis onderzoek (incl. monstername) € 83,50, mineralen € 26, mineralen én sporen € 51.50, incl. BTW.

Het paard bestaat niet
Nu beschikken paardenhouders doorgaans niet over rantsoenberekeningsprogramma’s, dus na ontvangst van het rapport moet de rekenmachine eraan te pas komen om de gegevens te vertalen naar de individuele situatie. De streefwaarden waaraan tekorten en overschotten zijn gerelateerd, zijn immers gebaseerd op de behoefte van het paard. Het paard bestaat echter niet. BLGG AgroXpertus reikt daarom een hulpmiddel aan waarmee een paardenhouder kan uitrekenen hoeveel ruwvoer zijn of haar paard eet en dus hoeveel voedingsstoffen het binnenkrijgt.

Belangrijk daarbij is de berekening van het gewicht van het individuele paard. Dat is eenvoudig vast te stellen door de volgende rekensom:
(borstomvang in cm)² x (lichaamlengte in cm)

                            11.877

De voeropname kan met behulp van een tabel worden vergeleken met de onderhoudsbehoefte per kilo lichaamsgewicht. In die tabel wordt onderscheid gemaakt tussen een merrie en een hengst, koudbloed en warmbloed en de leeftijd van het paard. Ook bevat de tabel eventuele toeslagen voor arbeid, dracht en lactatie. Zo kan de paardenhouder voor de eigen dieren vrij nauwkeurig uitrekenen welke tekorten eventueel moeten worden aangevuld met bijvoorbeeld brok of een liksteen.

Bloemrijk grasland
Levende Have liet op kleigrond van twee percelen bloemrijk grasland voor paarden een hooimonster nemen. Beide percelen liggen op ongeveer een kilometer afstand van elkaar. Ze zijn beide langdurig niet bemest, beide zijn ongeveer gelijktijdig gehooid, medio augustus. De overeenkomsten zijn opmerkelijk: het hooi van de twee percelen heeft een lage energiewaarde ( 0,47 en 0,49, terwijl de streefwaarden liggen tussen de 0,62 en 0,75 en het gemiddelde op 0,68), een laag gehalte aan verteerbaar ruw eiwit (47 en 52, waar de streefwaarden liggen tussen de 75 en 100 en het gemiddelde op 77) en een iets te hoge structuurwaarde: 4,3 (streefwaarde 3,2 tot 4,2 gemiddelde 3,9).
Volgens een toelichting van BLGG AgroXpertus zijn de afwijkingen voor een deel te verklaren door het feit dat de percelen al enkele decennia lang niet bemest zijn. Bemeste percelen hebben doorgaans een andere, eiwitrijkere grassamenstelling dan percelen met bloemrijk, onbemest grasland. ‘’Voor paarden die niet actief zijn in de sport, vormen de gevonden waarden geen probleem’’, aldus dr. ir. Martine Bruinenberg en ir. Suzan Nicolasen. ‘’Maar paarden die prestaties moeten leveren, zouden moeten worden bijgevoerd met brok. Voor koeien zou dit hooi zeker te weinig energie en eiwit bevatten.’’

Mineralen en sporenelementen
De hoeveelheden van sommige mineralen en sporenelementen van beide percelen vertonen nogal wat verschillen. Zo bevat het ene perceel beduidend minder calcium dan het andere: respectievelijk 4,5 en 7,9, terwijl het gemiddelde op 5 is vastgesteld. Een overaanbod van calcium verdrijft magnesium, koper, zink, ijzer en seleen. Vooral aan het einde van de dracht luistert dat nauw. Het is verstandig om daar bij de keuze van een eventuele liksteen rekening mee te houden. Bevat het hooi al veel calcium, dan verdient een liksteen zonder calcium de voorkeur.

Ook het ijzergehalte is afwijkend op één perceel: zes keer hoger dan gemiddeld. Op ditzelfde perceel is het kobaltgehalte vijf keer hoger dan gemiddeld. Toch wordt door BLGG AgroXpertus wat betreft de afwijkende hoeveelheden mineralen niet aangegeven dat er gevaar dreigt. Het ’vrij hoge’ gehalte aan calcium komt waarschijnlijk doordat het hooi is gewonnen op kleigrond. Klei bevat meer calcium dan zand. De gevonden hoeveelheid calcium duidt overigens niet op een overmaat. Het ijzergehalte wordt wel als ‘’hoog’’ aangemerkt. Bruinenberg en Nicolasen: ‘’Dat is vaak gebonden aan de grondsoort. Het ijzergehalte kun je niet naar beneden brengen. Daar heb je dus mee te maken. Bij een teveel aan ijzer is er kans op verdringing van de opname van andere mineralen. Maar we verwachten geen problemen als je andere mineralen in voldoende mate aanbiedt.’’

Het hooi van beide percelen bevat weinig natrium: 0,1, terwijl streefwaarden tussen de 2 en de 5 liggen, met een gemiddelde van 1,5. Natrium is niet alleen een belangrijk mineraal, het beïnvloedt ook de smakelijkheid van het hooi. Is een tekort eenvoudig aan te vullen met een liksteen, of paarden het hooi ook lekker vinden zal vooral een kwestie van gewenning zijn. Ook aan de lage kant zijn het zink- en kopergehalte op beide percelen, hoewel de afwijkingen niet schokkend zijn. Koper is een essentiële bouwstof voor het bot en het kraakbeen. Zink een belangrijk bestanddeel van een groot aantal enzymen die nauw betrokken zijn bij het functioneren van de huid, het haar, het botweefsel, de  geslachtsorganen en de hoeven. Ook deze twee mineralen kunnen worden aangevuld met een liksteen.

Dat is trouwens het algemene advies dat Bruinenberg en Nicolasen meegeven: het hooi van beide percelen is prima ruwvoer voor paarden, maar er mag wel een mineralenblok bij of dagelijks een handje bix.

Seleen
De laatste tijd is er veel te doen om seleen. Dit mineraal is van belang als antioxidant en dient ter ondersteuning van de spierfunctie en de werking van vitamine E. Ook beschermt het spiervezels tegen beschadiging. Seleen wordt als voedingssupplement aangeboden in combinatie met vitamine E. Bij BLGG AgroXpertus zijn ze daar geen voorstander van. ‘’Seleen bijvoeren is bloedlink. Het is een hype aan het worden en dat is geen goede ontwikkeling. ‘'Teveel Seleen is gevaarlijk en kan leiden tot (ernstige) ziekteverschijnselen’’ , aldus dr. ir. Martine Bruinenberg en ir. Suzan Nicolasen. In de twee onderzochte hooimonsters zaten verschillende hoeveelheden seleen: in het ene monster 122 microgram (streefwaarde 100 tot 500) en in het andere 31. “Laag’’, oordeelt BLGG AgroXpertus over die 31. Maar met een liksteen erbij niets aan de hand. De meeste paardenlikstenen bevatten seleen.

Eiwit en suiker
Het ruw eiwitgehalte van de onderzochte hooimonsters is aan de lage kant, het suikergehalte komt overeen met de streefwaarden. Suikergehalte en eiwitgehalte hangen met elkaar samen. Eiwitrijk gras bevat meestal weinig suiker en eiwitarm gras is doorgaans suikerrijk. De hoeveelheden eiwit en suiker zijn niet stabiel. Het tijdstip van maaien doet er ook toe: in het voorjaar wordt veel suiker gevormd. In het najaar is het suikergehalte in het gras laag.

Verschenen in

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier