Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Verbeteren erfelijke aanleg heeft tijd nodig

Ingediend door jinke op 17 mei 2011 - 21:20

Nadat Mendel had ontdekt dat een individu de helft van de erfelijke aanleg heeft van de vader en de andere helft van de moeder, is de mens die kennis gaan gebruiken bij het fokken van dieren. Ze selecteerden die manlijke en vrouwelijke dieren die het beste aan hun ideaal beantwoordden en paarden die met elkaar. Deze kunstmatige selectie vraagt om een goede identificatie van de dieren en registratie van de kenmerken waarvan je de erfelijke aanleg wilt verbeteren. Bij de identificatie van een dier is het ook gewenst om de afstamming vast te leggen, zodat paring van sterk verwante dieren wordt voorkomen. Zo kun je inteelt en de negatieve gevolgen daarvan tegengaan.

Fokdoel
Het verbeteren van de erfelijke aanleg met kunstmatige selectie vraagt bij de meeste diersoorten de nodige tijd. Fokkers moeten van te voren goed nadenken over het fokdoel: een nauwkeurige omschrijving van de kenmerken waarvoor de erfelijke aanleg verbeterd moet worden. Het gaat om kenmerken uit de rasstandaard en om kenmerken die van belang zijn voor het functioneren van het dier. Het fokdoel is richtinggevend voor een fokker of een stamboek. De keuze van het aantal kenmerken in het fokdoel is mede bepalend voor de snelheid waarmee de erfelijke aanleg verbeterd kan worden. Dat gaat trager naarmate je meer kenmerken kiest in het fokdoel.

Veel kenmerken kun je bij een dier gemakkelijk vaststellen: kleur, lichaamsbouw en gewicht zijn daar voorbeelden van. Andere kenmerken, zoals karakter, zijn niet aan de buitenkant af te lezen. Op basis van hun eigen prestaties kun je dieren selecteren als ouderdier voor de volgende generatie.  Maar je kunt ook een aantal generaties terugkijken (selectie op afstamming) of door nakomelingenonderzoek nagaan of een bepaald kenmerk aanwezig is.

In het laboratorium is het tegenwoordig mogelijk verschillen te meten in de samenstelling van het DNA. Een stukje DNA waarin we verschillen kunnen ontdekken noemen we een genetische merker. De verschillende vormen van DNA die we op één plek op het chromosoom tegenkomen, noemen we allelen. Een dier kan homozygoot zijn voor dat allel (het heeft dezelfde merker van de vader en de moeder) of heterozygoot (het heeft van de vader en de moeder een verschillend allel gekregen). In groots opgezette studies zijn verbanden gevonden tussen een bepaald allel en een belangrijke eigenschap van een dier, bijvoorbeeld de snelheid van dravers. Met behulp van genetische merkers kunnen we dus direct het genotype van een dier bepalen en daarop selecteren.

Genetische vooruitgang
Hoe snel kun je nu een fokdoel bereiken? Dat hangt van veel factoren af.

  • Hoeveel verschillen zie je in het kenmerk tussen de ouderdieren die je wilt selecteren? Wanneer je bijvoorbeeld wilt selecteren op hoogtemaat bij paarden zie je veel meer verschillen dan wanneer je wilt selecteren op het aantal veulens per merrie per jaar.
  • Hoe groot is de erfelijkheidsgraad? Van de verschillen die je ziet, de uiterlijke kenmerken (fenotype), is maar een deel terug te voeren op verschillen in erfelijke aanleg (genotype). Het milieu heeft op het ene kenmerk een veel groter effect dan op het andere.
  • Hoe scherp kun je selecteren? Dit hangt sterk af van de natuurlijke vruchtbaarheid, de diersoort en de kunstmatige voortplantingsmethoden die beschikbaar zijn.
  • Hoe lang is het generatie-interval? Dat is de leeftijd van de ouders waarop de jongen geboren worden, die de volgende generatie vormen. Een merrie werpt pas voor het eerst als ze minimaal drie jaar oud is en dan duurt het meestal ook nog wel even voordat er een goed merrieveulen geboren wordt, dat de merrie kan vervangen.

Kortom: de erfelijkheidsgraad van een kenmerk en de voortplantingsmogelijkheden van een diersoort bepalen in belangrijke mate in hoeverre een fokker haar of zijn doel snel kan bereiken.
 

Dossier

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier