Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Van knollenveld tot grasland (1)

Ingediend door jinke op 05 maart 2010 - 14:03
graslandmanagement

Tekst Jinke Hesterman
Foto: Jan Smit Dierenbeeldbank

In de veehouderij neemt de aandacht voor ’graslandmanagement’ de laatste jaren sterk toe, ten gevolge van een beperkte inzet van bestrijdingsmiddelen en een meer biologische bedrijfsvoering. Ook in de keinschalige en hobbyhouderij ligt aan een goede zorg voor dieren een goede zorg voor het grasland ten grondslag. Niet zelden is er sprake van een bescheiden vorm van intensieve veehouderij: veel dieren op een klein stukje grond. Juist dan is er grote kans dat ongewenste begroeiing de overhand krijgt.

Nu zijn de tips voor graslandmanagement in de commerciële veehouderij niet allemaal even goed bruikbaar voor de hobbymatige houderij. Een boer moet denken aan zijn melk- en vleesproductie, een hobbyboer hoeft daar doorgaans geen rekening mee te houden. In de hobbysector gaat het bovendien vaak om sobere rassen met een iets andere voedingsbehoefte dan een productiedier.

Graslandmanagement
Toch is ook hier een vorm van ‘graslandmanagement’ op z’n plaats.
Het is om te beginnen goed een beeld te hebben van wat er wel en niet in de wei groeit. Door geregeld een inventarisatie te maken, kunnen veranderingen worden waargenomen. Deze inventarisatie is mogelijk met behulp van de hoepeltest. Daarbij maak je een inventarisatie van het aantal planten op een berperkt stukje grond. Een overdaad aan kweek, ridderzuring, scherpe boterbloem, muur, varkensgras, herderstasje, grote weegbree, pitrus, duidt op problemen. Er moet wellicht gemaaid of gebloot worden, of met kalk worden gestrooid. Bij teveel witte klaver is ingrijpen noodzakelijk.

Bodemonderzoek
Moeraspaardenstaart en Jacobskruiskruid vragen om een gerichte bestrijding. Bij graslandmanagement hoort ook bodemonderzoek, Met behulp van kuil en kluit is onderzoek mogelijk naar de bodemgesteldheid. De structuur van de bodem, de wortels van de planten en de aanwezigheid van regenwormen vertellen iets over de conditie van het weiland. Wie meer wil weten kan de PH-waarde laten bepalen door het Blgg (www.blgg.nl). Die mag niet te laag en niet te hoog zijn: tussen de 5 en 6 op zandgrond, tussen de 6 en 7 op andere gronden.

Verschillende fasen
Een weiland gaat doorgaans zo’n twintig jaar mee. Het doorloopt verschillende fasen, waarbij vooral de begin- en de eindfase extra oplettendheid vragen. In het begin kan het zijn dat een pas ingezaaid weiland een nieuw evenwicht moet zoeken, nadat het door voorgangers veelvuldig is bemest. Maaien en gedeeltelijk herinzaaien kan noodzakelijk zijn wanneer eerder genoemde kruiden de overhand hebben gekregen. Of wanneer er kale plekken zijn ontstaan die ruimte bieden aan ongewenste indringers zoals distels en brandnetels.

Opnieuw inzaaien ligt voor de hand als een weiland z’n beste tijd heeft gehad. Hiervoor moet eerst het land intensief worden begraasd (zet een koppel varkens in als het om een klein weitje gaat), waarna de opkomende begroeiing kan worden doodgespoten. Hiervoor gelden wel regels. Zie rvo.nl. Ploegen kan ook, op het gevaar af dat oude grassen en kruiden weer de kop opsteken. Op het nieuw ingezaaide land kunnen het best eerst lichte grazers, zoals schapen, worden ingezet. Zij zorgen voor een verdichting van de begroeiing. Na deze eerste begrazingsronde kan er wat kunstmest nodig zijn. Het weiland is pas in het tweede jaar rijp voor hooien.
In volgende afleveringen meer over graslandmanagement en verschillende diersoorten, hooien of niet hooien, weidewisselen, weideslepen en het gebruik van mest.

Tip: Doorzaaien kan in het beste in het voorjaar; voor opnieuw inzaaien gelden regels, zie rvo.nl. Wie in het voorjaar wil inzaaien kan een hulpgewas gebruiken, zoals gerst. In het najaar is een mengsel van gras met kool- of raapzaad mogelijk. Ongeveer tien weken na het zaaien kunnen de schapen zich tegoed doen aan dit gewas en het voorkomt bovendien bodemerosie. 

Dossier

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier