Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Van collectief fokdoel naar fokdoel voor je eigen dieren

Ingediend door jinke op 07 februari 2021 - 13:13

Goed fokken vraagt kennis van zaken. Fokken is inmiddels een wetenschap, met o.a. DNA- en verwantschapsonderzoeken, rekenmodellen en grafieken wordt gekeken welke dieren en kruisingen het beste resultaat opleveren voor individu en populatie, voor bruikbaarheid en voorkomen van afwijkingen. 
Maar hoe ver ga je daarin als hobbyfokker? En wat is haalbaar? Met name het fokken van zeldzame dieren vraagt kennis van zaken. De populaties zijn klein en kwetsbaar en dat vraagt om extra zorgvuldigheid en inzet. Het zijn juist vaak de hobbyfokkers die deze dieren houden. 

In dit artikel wordt systematisch uitgelegd wat van belang is om als hobbyfokker te doen en te weten om een zo goed, gezond en waardevol mogelijke beslissing te kunnen nemen. 

Kennis vergaren en contact met collega fokkers
Als je wilt gaan fokken en een eigen fokdoel wilt formuleren, dan wil je je uiteraard verdiepen in de achtergronden van een ras en contact leggen met andere fokkers, al dan niet in clubverband. Wat komt daar zoal bij kijken?

  • Goede kennis van het ras, fokdoelen, populatiekennis (grootte, voor- en nadelen, afwijkingen, enz.) verkrijg je door je aan te sluiten bij een rasvereniging, of door ervaren fokkers te raadplegen. Koop nooit zomaar dieren via Marktplaats, maar informeer liefst bij meerdere fokkers of zij geschikte dieren voor jou hebben.
  • Het belangrijkste is dat het fokken gezonde dieren oplevert. Gezondheid gaat voor alles. Informeer daarom altijd naar de herkomst van een dier dat je aanschaft voor de fokkerij, let op foklijn, afstamming, levensduur en ziektegeschiedenis. 
  • Zicht op kwaliteit van je eigen dieren krijg je door deel te nemen aan keuringen. Wil je dat niet, vraag dan een ervaren fokker om je te helpen bij het observeren van je dieren, de goede en minder goede eigenschappen te leren herkennen en een registratie bij te houden van je fokresultaten. Wees kritisch ten aanzien van je eigen dieren, selecteer zorgvuldig en zonder terughoudendheid. 
  • Fokgroepen en rasverenigingen zijn noodzakelijk om fokkerijbeleid te kunnen maken en uitvoeren. 
  • Binnen de samenwerkingsverbanden worden afspraken gemaakt over gewenste ontwikkeling van de populatie, de rol van de fokkers en de uitwisseling van genetisch materiaal. Deze afspraken maken inzichtelijk op welke wijze de verantwoordelijkheid genomen wordt t.a.v. gezondheid en welzijn en zijn een leidraad voor een gezonde fokkerij. Het geeft je dus als individuele fokker steun en inzicht wat je moet doen. 
  • Afspraken die worden vastgelegd in gedragcodes zijn soms bindend. Je moet je eraan houden anders mag je geen lid zijn van een bepaalde organisatie. Maar in veel gevallen worden codes vrijwillig door fokkers erkend. Dit geeft aan dat veel fokkers de noodzaak onderschrijven van deze gedragscodes.  Een voorbeeld van een dergelijke code is de, vrijwillige, Code EFABAR voor de landbouwhuisdierenfokkers. De Nederlandse Codex Landbouwhuisdieren houden zonder winstoogmerk, alsmede de Code voor goed houderschap schapen en geiten bevatten ook een (summiere) paragraaf over fokkerij.
  • Wil je je dieren inschrijven bij een stamboek, houd dan rekening met het volgende. Stamboeken zijn pas officieel als ze zijn erkend door de overheid. Ze moeten voldoen aan de Europese fokkerijverordening, voor zover het gaat om runderen, buffels, schapen, geiten, varkens, paarden en ezels. De regelgeving is primair bedoeld voor de handel in raszuivere fokdieren tussen EU-landen, maar kan ook worden gezien als een kwaliteitskeurmerk van het fokprogramma. De verordening schrijft voor dat er keuringen moeten worden gehouden en dat er fokprogramma’s zijn waaraan de leden zich moeten houden.

Als lid van een stamboek of fokkersclub dragen fokkers de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van een ras. De eerste afspraak die ze met elkaar maken gaat over de rasstandaard: hoe ziet ons ideale dier eruit, wat is het gewenste fenotype? De rasstandaard wordt gebruikt tijdens keuringen om vast te kunnen stellen in hoeverre een dier de juiste raskenmerken heeft en of een dier opgenomen kan worden in het stamboek. Stamboeken leggen ook de afstamming van de dieren vast. Door dit generaties achtereen te doen, kunnen er stambomen van de jonge dieren worden afgegeven als een verklaring van raszuiverheid bij verkoop. De meeste stamboeken bepalen dat het jonge dier tot het ras behoort, wanneer er minimaal in twee of drie generaties van de stamboom alle ouderdieren erkend zijn als zuiver ras. Bij de rassen die gebruikt worden voor sport of voedselproductie maken fokkers ook afspraken over het fokdoel: bijvoorbeeld de snelheid bij dravers of de groeisnelheid van een schaap.

Inteelt beheersen
Een sterke toename van de verwantschap tussen de dieren in een ras leidt tot een sterke toename van inteelt in de volgende generatie(s). Dit gaat vaak gepaard met een afname van de vruchtbaarheid en de gezondheid van de dieren. Sommige dieren worden geboren met afwijkingen of gebreken. Aangeboren gebreken kunnen erfelijk zijn. De toename van de verwantschap is te voorkomen door een brede variatie in de afstamming van de dieren te behouden. In veel rassen van koeien, paarden en honden is de verwantschap sterk toegenomen doordat er in het (recente) verleden een beperkt aantal mannelijke dieren populair was (of goedgekeurd voor de dekdienst) en heel veel nakomelingen kreeg, die vervolgens alle sterk verwant zijn aan die vaderdieren.
Een belangrijke taak voor de stamboekbesturen is ervoor te zorgen dat fokkers bij iedere generatie minimaal 25 verschillende vaderdieren beschikbaar hebben en dat ze alle gelijke kansen krijgen om nakomelingen te produceren. Stamboeken kunnen fokkers dan adviseren welke mannelijke dieren ze het beste kunnen inzetten om inteelt te voorkomen.

Eigen fokdoel bepalen 
Je kunt als lid van een stamboek of ras-vereniging je eigen fokdoel bepalen, maar dat zal altijd wel moeten passen binnen het forkprogramma van de vereniging. Besluit je te gaan fokken buiten vereningingsverband, dan ben je meestal toch ook aangewezen op uitwisseling van dieren van andere fokkers. Maar je bent dan wel vrij om gebruik te maken van kruisingen tussen verschillende rassen.  Bij te kleine geregistreerde populaties moet zelfs overwogen worden of fokken binnen de populatie nog wel verantwoord is in verband met een te grote inteelttoename per generatie. Je bent dan vrijwel altijd aangewezen op dieren van andere rassen.
Voorbeeld van een geslaagd initiatief van enkele fokkers is het Groot heideschaap, een combi van de Schoonebeeker, het Veluws heideschaap en het Bentheimer landschaap. Het Groot Heideschaap is nog in ontwikkeling. Fokkers hebben zich verenigd in een fokkerij-organisatie met een professioneel op het fokdoel afgestemd fok- en selectiebeleid.

Wie dus op zijn eigen houtje gaat fokken, heeft vele voorgangers in de fokkerijwereld. Er lopen heel wat dieren rond die niet raszuiver zijn. Wel moet je inzicht hebben in de genetische variëteit van je groep dieren.  Zeker als het gaat om dieren die zich niet zo snel voortplanten. Ondoordacht fokken leidt tot ‘mismatching’, de verkeerde ouderdieren combineren, wat kan leiden tot meer kans op erfelijke afwijkingen. Deze komen veelal pas tot uiting na vele generaties en dan is het erg moeilijk en meestal ook te laat om de schade te herstellen. 

Door de eeuwen heen is men door schade en schande wijzer geworden. Niets voor niets zijn er ‘volgsystemen’, zoals het stamboek, in het leven geroepen. Wil je buiten een stamboek fokken dan is het verstandig om een aantal richtlijnen in acht te nemen.

  • Eigen fokdoelen kun je bepalen uitgaande van ras- of gebruikskenmerken en kenmerken van je eigen groep dieren (sterke en minder sterke kanten);
  • Bij het vaststellen van eigen fokdoelen moet je altijd rekening houden met inteelt; 
  • Je hebt oog voor het belang van je eigen dieren voor de totale populatie;
  • Je zoekt dieren uit en combineert fokdieren die jouw fokdoelen of gebreken compenseren of goede eigenschappen versterken. Je houdt dus rekening met verwantschap, inteeltpercentage, frequentie inzet, prestaties, enz. 
  • Dit vraagt om duidelijke omschrijving van de fokdoelen, een consequente aanpak van meten en verzamelen van gegevens, een helder en praktisch administratiesysteem en een regelmatige evaluatie en evt. aanpassen van je doelstellingen;
  • Je registreert afstamming en resultaten, kenmerken en prestaties en relateert deze aan je fokdoel;
  • Je hebt er geen problemen mee om fokdieren uit te sluiten;
  • Je houdt inzicht in populatiegegevens en overlegt met collega-fokkers/samenwerkingsverbanden;
  • Bij verkoop van dieren informeer je nieuwe eigenaren over het bestaan van fokverenigingen.

Kruisen met een ander ras
Niet alleen individuele fokkers kruisen dieren van het ene ras met dieren van een ander ras. Ook professionele fokkerijorganisaties hebben een fokprogramma waarbij ze heel systematisch te werk gaan om de genetische variatie in hun basislijnen vast te houden. Bij de ontwikkeling van lijnen en kruisingsprogramma maken de fokkers gebruik van een groot deel van de genetische variatie die er binnen de soort bestaat en waar ze zorgvuldig mee omgaan. Zo produceren ze efficiënt hun eindproducten en hebben ze geen last van inteeltproblemen. Integendeel, ze profiteren juist van de positieve kruisingseffecten: van heterosis.

In minder streng gecontroleerde populaties kan door fouten of door toeval de verwantschap tussen de ouderdieren in het ras echter zo groot worden, dat inteelt problemen gaat opleveren: er zijn verschijnselen van inteeltdepressie en veel ouderdieren blijken drager te zijn van erfelijke gebreken. Dan kan het inkruisen van dieren van een ander ras helpen om de verwantschap in een ras te verlagen en daarmee de inteelt(problemen) terug te dringen.
Dit middel is alleen doeltreffend wanneer het planmatig en strikt wordt uitgevoerd. Er is een verwant ras nodig of een ras dat grote gelijkenis vertoont met de eigen rasstandaard. In dat “vreemde” ras wordt een beperkt aantal mannelijke dieren geselecteerd, die bij voorkeur vrij zijn van erfelijke gebreken. Deze “vreemde” mannelijke dieren dekken een beperkt aantal vrouwelijke dieren van het eigen ras. De nakomelingen die het dichtst in de buurt van de rasstandaard komen, worden verder voor de fokkerij benut en teruggekruist met een dier van het eigen ras. Ook de kleinkinderen van de “vreemde” grootvader worden weer beoordeeld op de eigen rasstandaard voordat er mee gefokt mag worden.
 

Dossier

Aanbevolen door Levende Have

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier