Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Resistentie tegen ontwormingsmiddelen

Ingediend door jinke op 14 november 2010 - 17:50

Als de gevoeligheid voor een bepaald bestrijdingsmiddel sterk is afgenomen, spreekt met van resistentie. Zo zijn sommige wormsoorten resistent geworden tegen bepaalde wormmiddelen.

Wormmiddelen in groep 1 (bezimidazolen) zijn vanwege omvangrijke resistentie in Nederland niet geschikt voor de bestrijding van Haemonchus contortus en Teladorsagia circumcincta. Ook is er resistentie aangetroffen bij Haemonchus contortus en Teladorsagia circumcincta tegen middelen uit groep 3 (avermectines) met uitzondering van moxidectine. Een moxidectine-houdend middel is meestal nog wel effectief tegen Haemonchus contortus en Teladorsagia circumcincta. In Nederland is nog geen resistentie vastgesteld tegen middelen in groep 2 (imidothazolen).

Resistentie ontstaat door selectie
Zelfs bij een wormbehandeling die juist is uitgevoerd worden niet alle wormen, die aan het middel zijn blootgesteld, gedood. Zo kan bijvoorbeeld 99% procent van de wormen zijn gedood en 1% kan in leven zijn gebleven. Juist de minder gevoelige wormen overleven de behandeling en planten zich voort. Er vindt selectie plaats op ongevoeligheid tegen een bepaald wormmiddel. Uiteindelijk zal dit leiden tot resistentie.

Schuilplaatsen voor de wormen
De wormen bevinden zich in verschillende gedaanten op verschillende plaatsen:
• de larven zitten in het grasland
• de larven zitten in het dier
• de volwassen wormen zitten in het dier
• de eieren zitten in de mest
Na toediening van een wormmiddel wordt slechts een deel van de wormen aan het middel blootgesteld. Meestal zijn dit de volwassen wormen in het dier en bij sommige wormmiddelen ook de larven in het dier. Het deel dat niet aan het wormmiddel wordt blootgesteld, bevindt zich 'in refugia' (Latijn voor schuilplaatsen).

Ontwikkeling nieuwe populatie na wormbehandeling
Na de wormbehandeling ontwikkelt zich een nieuwe populatie wormen. Dit kan zijn:

  • vanuit de wormen (of larven) die aan het wormmiddel zijn blootgesteld, maar die de behandeling hebben overleefd. Dit zijn de resistente wormen.
  • vanuit het deel van de populatie dat niet aan het wormmiddel is blootgesteld, de 'in refugia'-populatie. Deze populatie bestaat voor het grootste deel uit niet-resistente wormen.


Vergroting van het aantal wormen dat niet aan het ontwormingsmiddel is blootgesteld
Door vergroting van het aantal wormen dat zich schuil houdt, kan de ontwikkeling van resistentie worden tegengegaan. Sla bij een behandeling 2 tot 5% van de dieren met een minimum van 1 dier over. Kies hiervoor gezonde oudere ooien, die bij voorkeur een eenling hebben gehad of niet hebben gelammerd. Kies bij lammeren hiervoor de beste lammeren. Het onbehandeld laten is met name van belang bij het plaatsen van de dieren op een veilige weide. Op deze manier wordt bereikt dat het aandeel van de niet-resistente wormen, die niet aan een behandeling zijn blootgesteld, bij de ontwikkeling van de nieuwe populatie vergroot wordt.

Wisselen van wormmiddelen
De ontwikkeling van resistentie kan ook worden tegengegaan door regelmatig van wormmiddel te wisselen. Wormen die resistent zijn geworden tegen het ene middel zijn nog wel gevoelig voor een ander middel. Afwisselen moet zodanig plaats vinden dat niet dezelfde generatie wormen aan twee verschillende wormmiddelen wordt blootgesteld. Dit werkt resistentie tegen meerdere soorten wormmiddelen in de hand (multi-resistentie). Bij sommige wormen komen twee of drie generaties per jaar voor. Als er meerdere keren per jaar wordt ontwormd, dan is het onverstandig om iedere keer een ander middel te gebruiken.
De aanbeveling is om jaarlijks van wormmiddel te veranderen. Het gaat erom dat de werkzame stoffen wisselen.

Voorkoming van de insleep van resistente wormen

  • Doe alle nieuwe dieren eerst in quarantaine; stal ze apart op.
  • Ontworm de dieren met zowel een middel uit groep 3 als met levamisole (groep 2). Geef de producten meteen na elkaar maar niet tegelijk, bijvoorbeeld een persoon geeft een ivermectine de andere persoon geeft de levamisole.
  • Controleer eventueel 14 dagen na behandeling via mestonderzoek of de ontwormingskuur geholpen heeft. Daarna kunnen de dieren uit quarantaine.
  • Als je geen mestonderzoek doet, hou dan in elk geval de schapen na behandeling 48 uur apart en laat ze gedurende 3 weken niet op een schone wei.
  • Het strooisel van de quarantainestal mag niet op de wei komen.

Samenvatting
De ontwikkeling van resistentie kan op de volgende manieren worden tegengegaan:

  • Zo min mogelijk ontwormen, alleen als het nodig is. Elke behandeling is een selectie op resistentie. Beoordeel of een groep dieren behandeld moeten worden aan de hand van de graasgeschiedenis en de uitslag van een mestonderzoek.
  • Voorkom onderdosering. Weeg de dieren. Beter wat overdoseren dan onderdoseren. Geiten moeten tweemaal de voor schapen voorgeschreven dosering hebben.
  • Sla bij het behandelen van een koppel 2 tot 5% (met een minimum van 1) van de dieren over.
  • Wissel jaarlijks van wormmiddel. 
  • Voorkom insleep van resistente wormen door aangevoerde dieren in quarantaine te zetten en te behandelen met zowel een middel uit groep 2 als een middel uit groep 3.
Dossier

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier