Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Oudhollandse Kapucijn ruim halve eeuw geleden herontdekt

Ingediend door jinke op 08 september 2017 - 12:35
Oud Hollandse Kapucijn duif

Duifje van Jan Steen legt elke maand twee eitjes
Tekst: Jinke Hesterman
Foto's: Jan Smit/Dierenbeeldbank

Eerst droegen ze een ‘sjaal’, daarna een kap. De bekende fokker Henk Moezelaar geldt als grondlegger van de huidige Kapucijnduiven, waarvan verre voorouders staan afgebeeld op schilderijen van de 17e eeuwse schilders Jan Steen en Melchior d’Hondecoeter. De sierduiven zijn zeer geschikt voor beginners.

De Kapucijnduif van tegenwoordig draagt een kap en kraag van veren als een pij om zich heen. De kap wordt hoog gedragen, maar mag niet voorover of achterover vallen en moet mooi aansluiten op de kraag. Beide vormen één geheel, aldus de rasbeschrijving. De duif is met zijn opgeheven hoofd en iets naar voren gerichte borst een trotse verschijning. Lijn van hals en lichaam staan haaks op elkaar.

Enkele duiven op het beroemde 17e eeuwse schilderij van Jan Steen “De Hoenderhof” vormden de inspiratiebron voor fokkers van de hedendaagse Kapucijnduiven. De kunstschilder bracht destijds opvallende dieren in beeld, met een witte kop, zwart of bruin lijf, witte vleugels en een witte staart. Hoewel fokkers van de Kapucijnduif graag teruggrijpen op de rijke geschiedenis van het ras, gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat de huidige dieren een nogal afwijken van de duiven die eeuwen geleden model stonden: het zwart en rood van het lijf begon weliswaar vrij hoog in de nek en daar tekende zich iets van een kraag af, maar die had eerder de vorm van een sjaal dan van een kap. Vermoedelijk ging het hier om dieren afkomstig uit Zuidoost Azië, meegenomen op schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. ’Capuchines’ noemde de Britse duivenexpert John Moore ze in zijn in 1735 gepubliceerde ‘Columbarium or the Pigeon House’.

Henk Moezelaar
Grondlegger van het huidige sierduivenras is Henk Moezelaar. Deze kwam ruim een halve eeuw geleden duiven met mon niktekening tegen op de bekende duivenmarkten van Amsterdam. Ze zaten in een mandje van een handelaar. Navraag leerde dat ze afkomstig waren uit Brabant. In deze provincie vond Moezelaar nog enkele andere exemplaren, zodat hij kon werken aan de opbouw van het ras. Zijn uitgangspunt hierbij was dat de duif in zoveel mogelijk opzichten zou afwijken van de Raadsheer, die zich vooral onderscheidt door een weelderige stola rond hoofd en nek. Daarbij vergeleken is de Kapucijn de soberheid zelve, hetgeen ook beter past bij het bestaan van de Kapucijner monikken.
In 1959 richtten fokkers een speciaalclub op voor de “Oudhollandse Kapucijn”. In de beginperiode sloten veertien leden zich aan bij deze vereniging. Erkenning van het ras door het instituut destijds de Raad van Beheer en Toezicht op het gebied van Pluimvee- en Pelsdierenteelt volgde in datzelfde jaar. Het ras genoot vrijwel direct een zekere populariteit en zeven jaar na oprichting groeide het aantal fokkers naar 123. Tegenwoordig ligt het ledental van de vereniging redelijk constant rond de zeventig fokkers. Voldoende om het ras in stand te houden en liefhebbers te voorzien van de nodige dieren.
Binnen de vereniging liepen de emoties soms hoog op. Vooral toen de witte Kapucijnduif haar intrede deed. Op de website lezen we dat er veel animo bestond voor deze kleurslag, hoewel deze eigenlijk niet paste bij de karakteristieke monniktekening, die vrijwel overeenkomt met de traditionele kledij van de orde van paters Kapucijnen.
Vanwege de populariteit ging de standaardcommissie echter overstag en volgde er een erkenning van de geheel in een wit verenpak gestoken duif. Toch is de witte Kapucijn niet echt wit: “Alle genetisch witte duiven hebben donkere ogen, witte Kapucijnen daarentegen hebben een pareloog”, zo staat onder het hoofdstuk Kapucijnologie op de website van de vereniging te lezen. “Dit betekent dan ook dat het jeugdkleed van een witte Kapucijn alles behalve wit is, echter zij ondergaan net als ‘het lelijke jonge eendje’ een ware metamorfose tijdens hun eerste rui.”

Topfokkers
“Een goede witte Kapucijnduif is schaars geworden”, vertelt Jan Haas, topfokker uit ’t Harde. Hij wil nu duiven in de kleurslag ‘getijgerd wit’ inzetten om geheel witte duiven terug te fokken. In de kleurslagen geel gemonnikt, rood gemonnikt, rood en geel getijgerd en geel-zilver geband heeft hij inmiddels zijn sporen verdiend. Zijn volière wordt bevolkt door enkele prachtexemplaren en kampioenen. “Wil je mee blijven draaien in de top, dan zul je je moeten specialiseren”, is zijn ervaring.
Zestien ouderparen vormen de basis van zijn fokkerij. Die brengen jaarlijks zeventig tot tachtig jongen voort. Vier weken na de geboorte haalt hij de jongen bij de duif weg. Die broedt dan inmiddels al weer op twee nieuwe eitjes. “Als je ze hun gang laat gaan, leggen en broeden ze het hele jaar door”, aldus Jan Haas. Zo’n productie is wat hem betreft niet nodig. Bij wijze van geboorteregeling haalt hij op de langste dag haalt hij de doffers bij de duiven weg.
Een week of zes na de geboorte van de jongen, kan hij al keuzesmaken. “Zo’n vijftig jongen komen niet door de selectie. Voor deze duiven zoek ik altijd een geschikt adres. Ik fok bewust niet zoveel dieren, zodat ik voor de dieren die overblijven een goede bestemming kan vinden.”
Jan Haas is zeer te spreken over de speciaalclub van de Oudhollandse Kapucijnduif: “Binnen de vereniging zijn tien fokkers die prijswinnaars voortbrengen. De titels gaan dus niet steeds naar dezelfde mensen. De sfeer is daardoor goed en we wisselen ook veel dieren uit.”
Variatie bij Oud-Hollandse Kapucijn
Op grond van uiterlijke kenmerken worden de duivenrassen in negen groepen onderverdeeld: kroppers, vormduiven, wratduiven, kipduiven, meeuwen, structuurduiven, trommelduiven, kleurduiven en tuimelaars/hoogvliegers.
Bij de Oud Hollandse Kapucijn - type structuurduiven - zijn diverse kleurslagen erkend: zwart, wit, rood en geel, met en zonder glans. Bovendien wordt er onderscheid gemaakt tussen ’gebanden’ (deze dragen twee banden over de vleugels) en ’getijgerden’ (het gekleurde verenkleed heeft allemaal vlekjes). Bij de ‘getijgerden” moet de monniktekening behouden blijven.

Plussen en minnen
+ Populair ras, redelijk goed verkrijgbaar
+ Geschikt voor beginners
+ Vrij gemakkelijk om mee te fokken
+ Brengt jaarlijks meerdere nesten met
jongen groot
+ Kan deze jongen zelf voeden
+ Vitaal
- Geen vliegers dus minder geschikt om los
te laten
- Door de kraag ziet de duif niet alles
 

Verschenen in