Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Op een koe horen hoorns

Ingediend door jinke op 12 februari 2015 - 13:19
Hereford met hoorns
Tekst: Jinke Hesterman
 
Voor commerciële veehouders gelden vooral praktisch overwegingen. Een gehoornde koe mag dan mooier zijn, erg handig zijn die uitsteeksels niet. Dus gaan de hoorns er al op jonge leeftijd af. Je zou denken dat hobbyboeren altijd koeien mét hoorns willen. Dat blijkt niet het geval: ook bij hen komen genoeg ongehoornde dieren voor. 
 
De hoorns van de koe waren in de oertijd ongetwijfeld een middel in de strijd om te overleven, maar zijn tegenwoordig vooral een keuze. De meesten denken misschien nog steeds dat een koe van nature hoorns draagt, toch worden er sinds jaar en dag genoeg koeien hoornloos geboren. Want naast de koe met genetisch bepaalde hoorns bestaat de koe met de eveneens genetisch bepaalde hoornloosheid. Vroeger, heel vroeger – in de Romeinse tijd – waren hoornloze koeien zelfs heel normaal. In de kustgebieden boven de Romeinse grens bleken twintig tot veertig procent van de runderen geen hoorns te dragen*).
Na de Romeinse tijd verdwenen de hoornloze koeien uit het Nederlandse landschap en was er eeuwenlang maar één goede koe: een koe met hoorns. Totdat de boeren zoveel koeien bij elkaar in de stal zetten, dat de hoorns in de weg zaten. Sindsdien worden die lastige uitsteeksels al op jonge leeftijd verwijderd. Nu echter het ‘’onthoornen’’ meer en meer wordt gezien als een vorm van ongerief, komt de als hoornloos geboren koe weer in beeld. Die bestaat namelijk nog steeds. Daar kan dus mee gefokt worden. Wageningen deed er onderzoek naar. De risico’s zijn niet al te groot.
 
’’Polled’’
Hoornloosheid wordt bepaald door één gen. Dit gen heet ‘’polled’’. Het hoornloosheidsgen bevindt zich op het DNA op chromosoom 1. Hoornloosheid is een dominant kenmerk. Zijn er door mutatie eenmaal hoornloze dieren in de kudde, dan zal hun aandeel – zonder selectie toe te passen – min of meer het zelfde blijven.
De meeste koeienrassen zijn gehoornd, maar er bestaan ook hoornloze rassen, zoals de Galloway en de Aberdeen Angus. Binnen de gehoornde rassen komen ook hoornloze dieren voor. Omdat boeren liever geen gevaarlijk geachte hoorns op hun dieren zien, is er van oudsher veel gefokt met deze hoornloze dieren. Daardoor zijn er hoornloze varianten (‘polled’) van gehoornde rassen ontstaan, bijvoorbeeld de Polled Charolais en de Polled Hereford. 
 
Ook op de vorm van de hoorns wordt al eeuwenlang geselecteerd. Met korte, naar voren stekende hoorns, ofwel vluchtige hoorns, kan een koe gemakkelijk een mens (of soortgenoot) lekprikken. Spaanse vechtrassen en enkele Scandinavische rassen hebben nog dergelijke hoorns. Liever zagen de koeienhouders hoorns met naar binnen draaiende hoornpunten of naar beneden afhangende, ‘druipende’ hoorns. Deze twee typen hoorns zie je dan ook meestal terug in oude en moderne melkveerassen. Bij de druipende hoorns is het grote nadeel dat ze na verloop van tijd in de kop kunnen groeien, waarna er een stuk moet worden afgezaagd. Vroeger kregen kalveren en pinken ook wel een hoorngeleider op hun kop. Met een soort harnasje om de beginnende hoorntjes werd de groei in de gewenste richting geleid. 
 
Fokken
Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw laat het overgrote deel van de melkveehouders hun gehoornde dieren onthoornen. Daartegen ontstaat echter in de maatschappij steeds meer weerstand. Het beleid in Nederland is er op gericht om dergelijke ingrepen te verminderen. Een van de mogelijke alternatieven is het fokken van runderen zonder hoorns. De vrees bestaat dat bij het fokken op één kenmerk andere kenmerken kunnen veranderen. Uit onderzoek **) blijkt dat het hoornloosheidsgen uitsluitend de vorming van hoorns beïnvloedt. Ook zijn in de directe nabijheid van het gen geen andere kenmerken gevonden die onbedoeld ook geselecteerd kunnen worden. Maar waakzaamheid is hier wel geboden, waarschuwen de onderzoekers.
Het tweede risico is een te hoog oplopende inteelt. Alle huidige via KI beschikbare hoornloze HF stieren, die de bron zullen vormen voor hoornloosheid in de toekomst, stammen af van twee voorouders uit eind jaren zestig. Hoornloze stieren zijn onderling iets meer verwant dan de gehoornde stieren. De hoornloze stieren zijn echter minder verwant aan de huidige Nederlandse koeien dan de gehoornde stieren. Bij een fokprogramma voor hoornloosheid zal daardoor eerst de inteelt afnemen, maar later iets hoger kunnen uitkomen. 
 
Dat fokken op hoornloosheid prima kan, blijkt in de praktijk van bijvoorbeeld de Hereford-fokkerij. Ongehoornde koeien zijn bij liefhebbers van dit ras ruim vertegenwoordigd. Maar er bestaan net zo goed fervente aanhangers van de gehoornde Hereford. De keuze berust vooral op emotionele en esthetische gronden.
 
*) Het dominante hoornloze rund, dr. Roel Lauwerier, vakblad Vitruvius, juli 2011. 
**) Wenselijkheid en mogelijkheden voor het fokken van hoornloze koeien, J. Windig e.a., april 2010.
 

Comments

Ingediend door vaneldijk op 19 februari 2015 - 05:02

De opmerking dat een hoop gehoornde koeien bij elkaar tot problemen heeft geleid is onjuist en moet genuanceerd worden. Vroeger, maar op sommige bedrijven gebeurt het nog steeds, stonden de koeien in de winter permanent vast op de grupstal. Elk had zijn plek en men had geen concurrentie om een goed ligplekje of voer te bemachtigen. In de zomer liepen ze dag in dag uit in de wei, met veel ruimte om elkaar te ontlopen in geval van conflicten. De ligboxenstal was voor veel koeien een verademing: ze konden lopen, liggen en eten waar en wanneer ze wilden. Met de komst van melkrobots hoeven ze niet meer te wachten op de boer en worden ze gemolken wanneer ze willen. Alleen, met horens een hoop loslopende koeien op stal hebben is gevaarlijk, niet alleen voor de koe, ook voor de boer. Door ze als kalfje te onthoornen heeft niemand een probleem. En de fokkerij doet er tegenwoordig ook al iets aan.