Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Meer soorten gras door consequent graslandbeheer

Diversiteit in grassen is aantrekkelijk voor het bodemleven, insecten, kleine knaagdieren, vogels en vee. Veel soorten gras en kruiden lokken veel soorten dieren. De hoeveelheid soorten gras en kruiden is afhankelijk van de bodem. Op een voedselrijke bodem komen andere soorten voor dan op een voedselarme. Ook de waterhuishouding - of het een natte of een droge bodem is - is van groot belang. Door consequent graslandbeheer is het mogelijk een standaard grasland langzaam omvormen naar een natuurlijk, soortenrijk grasland.

Beheersmaatregelen
Alle graslandtypen (nat, droog, voedselarm, voedselrijk) worden beheerd door te maaien en te begrazen. Als dit gebeurt, zal op den duur het grasland zich ontwikkelen van ruigte naar struweel en naar bos.

Niet alle graslandtypen worden bemest. Zeer voedselarme (zowel natte als droge) omstandigheden kennen een grote variatie, zeer specifieke plantensoorten. Als deze graslanden bemest worden, verdwijnen deze soorten geleidelijk. Uit oogpunt van biodiversiteit is het onwenselijk deze omstandigheden te beïnvloeden met mest. Voedselarme omstandigheden komen echter bijna alleen voor in natuurgebieden. Deze gebieden worden zeer specifiek op die omstandigheden beheerd.

Bij de meeste hobbyboeren zijn de bodemomstandigheden voedselrijker. Matig mesten met ruige mest heeft dan juist een positief effect op het bodemleven onder de graszoden. In het dossier ‘biodiversiteit’ is hier een afzonderlijk artikel aan besteed: Mest als bodemverbeteraar .

Variatie door maaien
Voor elk graslandtype (nat, droog, voedselarm, voedselrijk) bestaat een voorkeur voor een bepaald type beheer (maaien en begrazen). Dat betekent echter niet dat al het grasland van een bepaald type precies op de zelfde manier beheerd moet worden. Variatie in beheer leidt tot variatie in plantensoorten. Door bijvoorbeeld op één perceel twee verschillende maairegimes toe te passen ontstaan verschillende variaties van grassoorten. Stel, u maait de ene helft van uw weiland twee maal per jaar en de andere helft maar eenmaal per jaar. Grassoorten die laat bloeien kunnen in de ene helft van het weiland beter tot ontwikkeling komen dan in de andere helft. Soorten die juist snel groeien en bloeien kunnen in de andere helft makkelijker overleven. Zo ontstaat in ieder stuk een eigen samenstelling van gras- en kruidensoorten. Op de grens van beide regimes wisselen de omstandigheden, wat weer eigen soorten aantrekt. Wel moet steeds het zelfde maairegime op het zelfde stuk grasland toegepast worden. Alleen dan krijgt elk stuk weiland zijn eigen grassamenstelling.

Variatie door begrazen
Ook in begrazing kan gevarieerd worden. In het ene gedeelte van uw weiland laat u uw vee pas grazen nadat het tweemaal gemaaid is, om hooi/kuil te maken voor de winter. Deze nabeweiding in de nazomer en herfst mag vrij intensief zijn. Het is juist de bedoeling dat het weiland zo kort mogelijk (plus minus 10 cm) de winter in gaat. Op nattere gronden kan het kapot trappen van de graszoden een probleem zijn, waardoor u gedwongen kan worden tot extensievere begrazing. In het andere gedeelte, waar maar eenmaal per jaar gemaaid wordt, kan al veel eerder vee komen te staan. Een zo extensief mogelijke begrazing voorkomt dat het grasland overbelast wordt, wat niet ten goede komt aan de biodiversiteit. Op deze manier krijgt uw gras op verschillende plekken verschillende omstandigheden waarin het beter of minder kan ontwikkelen, waardoor variatie in soorten ontstaat.
U kunt ook variëren in diersoorten. Paarden, runderen, schapen en geiten hebben elk hun eigen specifieke graasgedrag en voorkeur voor grassoorten. Een rund houdt van grassoorten met veel blad (bijvoorbeeld Engels raaigras). Zij slaan de tong om het gras en snijden zo de bladeren van de plant. Hierdoor blijft het gras langer en worden soorten met een stevige stengel gemeden. Schapen en geiten grazen het gras lager af. Zij zijn minder kieskeurig dan koeien en paarden en eten daardoor het weiland vrij egaal kaal. Paarden houden juist weer van structuurrijke grassoorten en kruiden. Zij bijten het gras af met hun voortanden en eten het gras zeer kort af. Welke combinatie van diersoorten het beste is voor uw land kunt u lezen in het artikel “Van knollenveld tot grasland (3)” verschenen in de Levende Have, augustus 2009, te lezen elders op deze website.

Meten is weten
Wanneer u uw graslandbeheer aanpast om een meer soortenrijk grasland te krijgen, is het ook leuk te weten of uw inspanningen zin hebben. U hoeft geen bioloog te zijn om dit te kunnen controleren. Zet drie keer per jaar, drie afzonderlijke m2 uit, verspreid over uw weiland. Met vier stokjes op de hoeken en een touwtje er tussen. Doe dit steeds op ongeveer de zelfde plek in de zelfde maand, bij voorbeeld mei, juli en september. Ga op de knieën en tel of pluk zo veel mogelijk verschillende plantjes uit de m2. Als u ze plukt, kunt u ze ook bewaren door ze te drogen. (en eventueel de namen er bij zoeken). Als u dit een aantal jaren achter elkaar doet, kunt u aan het aantal verschillende planten weten of dit er meer zijn geworden of niet. Als u de planten telkens droogt en bewaart kunt u ook zien welke planten er bij gekomen zijn. Zie ook artikel ‘’Doe de hoepeltest’’ elders op deze website.

 

Raadpleeg ook ons digitaal ideeenboek over biodiversiteit, klik hier

 

Gerelateerde onderwerpen:

 

Dossier

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier