Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Maagdarmwormen bij schapen en geiten

Ingediend door jinke op 02 november 2010 - 15:59

De volgende soorten wormen doen zich voor bij schapen en geiten: rondwormen, lintwormen en platwormen. (Zie ook bijlage voor een overzicht).

Tot de rondwormen behoren:

Haemonchus contortus
• Trichotrongylus-soorten
• Teladorsagia circumcincta
• Nematodirus-soorten

Haemonchus contortus
De rode lebmaagworm (Haemonchus contortus) veroorzaakt in ons land van alle wormen de grootste sterfte bij lammeren en volwassen dieren. Een besmetting met deze worm wordt heamonchose genoemd.
De bloedzuigende worm leeft in de lebmaag en veroorzaakt geen diarree. Door het bloedzuigen ontstaat er bloedarmoede en later groeivertraging. Men kan bloedarmoede herkennen aan een bleke kleur van het slijmvlies in het onderste ooglid. Eén Haemonchus-worm onttrekt per dag 0.05 ml bloed. 5000 wormen onttrekken 250 ml bloed per dag!
De worm overwintert als rustende larve in het slijmvlies van de lebmaag. De verandering in de hormoonhuishouding rond het aflammeren is een signaal voor de larven om zich verder te ontwikkelen tot het volwassen stadium. Rond het aflammeren scheiden de ooien veel Haemonchus-eitjes uit. Om besmetting van het weiland met Haemonchus eitjes te voorkomen, is het van belang om volwassen ooien of geiten direct na het aflammeren te ontwormen. Of zo mogelijk net voor het uitscharen in het voorjaar.

Jaarpatroon Haemonchus:
• bij ooien treedt een piek op vanaf het aflammeren in maart / april
• hierna toenemende weidebesmetting
• die leidt tot toenemende wormbesmetting bij lammeren
• later afnemende besmetting bij lammeren door opbouw natuurlijke weerstand

Haemonchose trad in het verleden vooral op in juli en augustus. Dit beeld lijkt echter te veranderen: haemonchose komt de laatste jaren vaker en op grote schaal voor. Bovendien is de periode van voorkomen veel langer: vanaf mei tot in oktober. De achtergrond van dit probleem zijn niet alleen veranderende klimaatomstandigheden, maar ook de toegenomen resistentie van deze parasiet voor de beschikbare wormmiddelen.

Trichostrongylus-soorten
De wormen van deze familie overwinteren als larve in het L3 stadium in het land. De worm tast de slijmvliezen van de dunne darm en de lebmaag aan. Hierdoor ontstaan diarree en verminderde groei. Trichostrongylose is een kinderziekte. Alleen lammeren die nog onvoldoende weerstand hebben opgebouwd zijn gevoelig. De problemen komen vooral voor in de zomer en in het najaar. Bij volwassen dieren komen vrijwel nooit problemen voor.

Jaarpatroon Trichostrongylus en Teladorsagia
• enige toename van weidebesmetting van ooien door ontwikkeling van overwinterde larven
• piek in weidebesmetting door toenemende uitscheiding van eieren bij lammeren
• toenemende besmetting bij lammeren door toenemende weidebesmetting en onvoldoende weerstand
• later afnemende besmetting bij lammeren door opbouw natuurlijke weerstand

Teladorsagia circumcincta
De larven overwinteren op het weiland maar ook in de schapen. Het jaarpatroon is ongeveer gelijk aan de Trichostrongylus soorten. De worm beschadigt de slijmvliezen van de lebmaag. Door gebrek aan eetlust kan er groeivertraging optreden. Soms ziet men diarree, echter alleen bij zeer ernstige besmetting. De problemen treden op bij lammeren en de zomer en het najaar.

Nematodirus-soorten
Nematodirus komt niet op alle bedrijven voor. De larven overwinteren in de eierschaal op het land. De besmetting kan optreden in weilanden waar in het vorige jaar lammeren hebben gelopen. Voor deze wormsoort geldt dus niet dat een wei na 3 maanden zonder schapen veilig is. Bij schapenlammeren ontstaan vaker problemen dan bij geitenlammren. De problemen treden vooral op bij lammeren in het voorjaar tussen 6 en 12 weken leeftijd. Heel soms ook in het najaar bij lammeren die nog niet eerder besmet zijn geraakt en daardoor geen weerstand hebben opgebouwd. De symptomen zijn: waterdunne diarree, enorme dorst, sterfte, groeivertraging.

Jaarpatroon Nematodirus
• grote weidebesmetting in winter door in eierschaal overwinterende larven
• continue lage besmetting van ooien door natuurlijke weerstand
• toenemende besmetting bij lammeren door onvoldoende weerstand
• later dalende besmetting bij lammeren door opgebouwde weerstand

Lintwormen
De schapenlintworm heeft een indirecte levenscyclus. Dit betekent dat een tussengastheer nodig is voor de complete ontwikkeling. De tussengastheer van de schapen lintworm is een vrijlevend grasmijtje, dat vanuit de mest de lintwormeitjes op eet. Dit mijtje komt in zeer grote aantallen voor in Nederland, vooral op oude weides, en wordt zelfs in hooi en stro gevonden. De met lintwormlarfjes besmette mijtjes worden tijdens het grazen door de schapen opgenomen en de larfjes ontwikkelen zich vervolgens binnen het schaap tot volwassen lintwormen.
Lintworm is de enige wormensoort die met het blote oog in de mest van jonge lammeren kan worden gevonden. Alhoewel de worm er vervaarlijk uitziet, veroorzaakt hij zelden gezondheidsproblemen. Daarnaast bouwen lammeren snel weerstand op tegen de lintworm. Daarom is het, onder normale omstandigheden, niet nodig te behandelen. Neem bij twijfel contact op met de dierenarts.

Leverbot
De leverbot heeft een gecompliceerde indirecte levenscyclus. Een zoetwaterslakje (Lymnea Truncatula) is noodzakelijk als tussengastheer. Omdat deze slakjes alleen onder vochtige omstandigheden overleven, zien we dat leverbotinfecties beperkt blijven tot schapen die hebben gegraasd op natte, vochtige weides. Op hoge zandgronden of weides die goed zijn afgewaterd komt leverbot van nature niet voor. Daarentegen ligt een leverbotinfectie altijd op de loer in bijvoorbeeld de westelijke weidegebieden. Let op: ook één natte hoek of slootkant met water kan een bron voor leverbot infecties zijn. (Meer informatie: zie Leverbot .)

Dossier

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier