Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Lange vezels nodig voor kauwen en herkauwen

Ingediend door jinke op 19 augustus 2007 - 12:52

door Tjalling Huisman

Bij herkauwers verhoogt een tekort aan langvezelig materiaal (gras, hooi, kuilvoer) het risico op verzuring van de pens. Dieren kunnen daar erg ziek van worden en zelfs aan doodgaan. Bij paarden en ezels leidt een dergelijk tekort tot gebitsproblemen, maagzweren en afwijkend gedrag door verveling.

Van de drie voormagen die een herkauwer bezit, is de pens in omvang de grootste. In de pens zetten bacteriën koolhydraten om in vluchtige vetzuren. Deze vluchtige vetzuren passeren de penswand en leveren een bijdrage aan de energievoorziening van het dier. Pensbacteriën zijn tevens in staat om de koolhydraten uit plantcelwanden vrij te maken en zo ook deze energiebron te benutten.

De pens kan alleen maar goed functioneren wanneer de inhoud heel lichtzuur is. Door de constante productie van vluchtige vetzuren is het gevaar van verdere verzuring steeds aanwezig. Wordt de inhoud van de pens te zuur dan sterven de bacteriën af. De verteringsprocessen komen stil te liggen en ook het herkauwen en de doorstroming van de pensinhoud stagneren. Wanneer deze situatie optreedt, is het dier al behoorlijk ziek en als het langer aanhoudt is de kans op sterfte aanzienlijk.
Een aantal mechanismen bij de voedselvertering gaat verzuring tegen. In de eerste plaats worden de gevormde vetzuren opgenomen door de penswand en afgevoerd in de bloedbaan. Het is hierbij wel belangrijk dat de vorming van deze vetzuren vrij geleidelijk plaatsvindt. Ook het kauwen en herkauwen speelt een belangrijke rol. Bij deze processen komen grote hoeveelheden speeksel vrij. Dit speeksel bevat stoffen, zogenaamde buffers, die verzuring tegengaan. Tenslotte draagt regelmatige doorstroming van de pensinhoud, veroorzaakt door samentrekkingen van de pens, bij aan het in stand houden van een gezond pensmilieu.

Piekbelasting
Voldoende structuurrijk materiaal is noodzakelijk voor het in stand houden van de mechanismen die verzuring voorkomen. Voedingsmiddelen waar lang op gekauwd en geherkauwd moet worden, stimuleren de speekselproductie. Materiaal met lange vezels vormen een vaste laag in de pens. Deze zorgt voor de prikkeling die pensbeweging en herkauwen stimuleert.

Een hoog aandeel structuurrijk materiaal gaat meestal samen met een laag aandeel snel afbreekbare koolhydraten. Een grote portie gemakkelijk verteerbare koolhydraten, bijvoorbeeld uit brokken, wordt snel afgebroken. Dit leidt tot een piek in de vetzurenproductie die niet altijd goed opgevangen kan worden. Moeilijk verteerbare koolhydraten daarentegen, waar ruwvoer rijk aan is, worden geleidelijk afgebroken, waardoor er ook geleidelijk vetzuren vrijkomen. Hierdoor is er geen piekbelasting van vetzuren en zal de zuurgraad in de pens nauwelijks veranderen.

Gedurende een groot deel van hun bestaan kunnen de meeste hobbymatig gehouden herkauwers volstaan met een rantsoen dat vrijwel volledig bestaat uit kwalitatief goed ruwvoer, zoals gras of hooi. Hoewel tijdens groei, einde dracht en melkgiftperiode een hogere brokgift nodig is, moet ook dan het rantsoen nog steeds voor meer dan de helft uit ruwvoer bestaan. Goed ruwvoer is niet te oud, ruikt lekker en heeft een beetje ‘prik’ als gevolg van lange vezelige delen.

Ruwvoer voor paarden
Paarden zijn dooreters. Ze zijn ingesteld op een geleidelijke en langdurige opname van vrij laagwaardig gras. In het wild besteden paarden tot zestien uur per etmaal aan voedselopname. Bij deze voedselopname maken ze gemiddeld bijna 50.000 kauwbewegingen. Zo lang zijn gehouden paarden vrijwel nooit bezig met hun voeding. Wanneer een paard te weinig tijd en arbeid besteedt aan voedselopname, ontstaan er problemen. Dit zien we vooral bij een te laag aandeel vezelig materiaal.

Hooi geeft paarden wat te doen. Om een kilo hooi weg te werken is een paard veertig minuten bezig waarbij er 2500 keer gekauwd wordt. Door hooi fijn te malen en het vervolgens in een brokje te persen, kun je de opnametijd terugbrengen tot tien minuten en het aantal benodigde kauwbewegingen verminderen tot 700. Een kilo brok of muesli wegwerken, kost ook ongeveer tien minuten voor een paard in respectievelijk 600 en 900 kauwbewegingen. Het paard wordt niet gelukkiger van de aldus verkregen vrije tijd. De van nature aanwezige neiging tot langdurig graasgedrag laat zich moeilijk onderdrukken. Wanneer een paard weinig tijd hoeft te besteden aan de voedselopname, is de kans op allerlei stalondeugden groot. Ook kan het dier bij wijze van compensatie strooisel of mest gaan eten.

Maagzweren
Bij het kauwen van voedsel komt speeksel vrij. Dit speeksel zorgt ervoor dat de maaginhoud niet te zuur wordt. Een te zure maaginhoud leidt tot aantasting van de maagwand en uiteindelijk tot maagzweren. Bij het eten van hooi produceert een paard drieëneenhalf keer zoveel speeksel als bij een gelijke hoeveelheid brokken. Uit onderzoek is komen vast te staan dat paarden (ook veulens) die veel brokken krijgen, heel vaak een aangetaste maagwand hebben. Veel ruwvoer voorkomt dit probleem.
Hoe mooi de verpakkingen van voeders ook zijn en hoe aantrekkelijk muesli’s er ook uit mogen zien en ruiken, voor graseters zoals runderen, schapen, paarden en ezels is voldoende weidegras, hooi, of kuilgras in het rantsoen een voorwaarde voor gezond functioneren. Wanneer deze dieren teveel brokken of muesli’s krijgen, kan er sprake zijn van een ‘’structuurtekort’’. Fijn gemalen gras of hooi past niet in een rantsoen. Welzijn en gezondheid zijn gebaat bij langvezelig voer.

Vezeltermen
In de diervoeding worden een aantal termen gehanteerd die allemaal betrekking hebben op de moeilijk verteerbare bestanddelen van het voer. Deze termen worden niet altijd uniform gehanteerd waardoor er vaak spraakverwarring ontstaat. Hieronder een paar van die termen op een rijtje.

Structurele koolhydraten: koolhydraten die zich in celwand van de plant bevinden, zonder hulp van bacteriën niet of moeilijk verteerbaar voor dieren.

Ruwe celstof: bij een voeranalyse wordt dit weergegeven als het % RC. Het is een benadering van de hoeveelheid structurele koolhydraten.

Vezel: soms wordt hier de ruwe celstof mee bedoeld, maar bij voer voor graseters dient de term ook om de stengeligheid weer te geven. Die stengeligheid is bepalend voor de benodigde hoeveelheid kauwarbeid. Vezelig materiaal is altijd rijk aan ruwe celstof. Als je het materiaal fijn maalt, verandert er niets aan het ruwe celstof gehalte maar neemt de vezeligheid wel af.

Structuurwaarde: wordt vooral bij het opstellen van melkveerantsoenen gebruikt. Het is eigenlijk een maat voor de vezeligheid van het voedermiddel en de hoeveelheid benodigde kauwarbeid. Een rantsoenwaarde van iets meer dan 1 is een redelijke waarborg dat de kans op verzuring gering is. Brokken hebben een structuurwaarde van 0,3. Gras zit in de buurt van 2, hooi bijna 3. Wie met zijn hobbydieren onder de norm van 1 komt, geeft te veel geld uit aan brokken en moet direct zijn rantsoen bijstellen.

Veel kauwen voor een gezond gebit
Het paardengebit is gemaakt om gras met behulp van de kenmerkende kauwbeweging fijn te malen zodat optimaal van de voedingsstoffen geprofiteerd kan worden. Wanneer het gebit niet gelijkmatig slijt, kan het uit ‘balans’ raken waardoor er minder goed gekauwd kan worden. Erger nog is het ontstaan van scherpe randen aan de kiezen, die op een gegeven moment voor veel pijn kunnen zorgen. Het kauwen neemt dan af, met alle gevolgen van dien. Rantsoenen die uit veel brok of muesli bestaan, zijn een belangrijke oorzaak voor dit probleem. Een gebit blijft langer gezond wanneer er voldoende gras, hooi of kuil wordt aangeboden.

Verschenen in

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier