Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Inteelt als kans en risico

Ingediend door jinke op 17 mei 2011 - 22:00

Aan het begin van elk fokseizoen staat iedere fokker weer voor de keus: welke vader- en moederdieren voldoen het beste aan mijn fokdoel? Welke dieren laat ik met elkaar paren? Die vraag is belangrijk omdat bij het fokken van dieren inteelt kan optreden. Inteelt biedt kansen, maar ook risico’s.

Fokkerijorganisaties voor varkens en kippen passen lijnenteelt toe: ze selecteren een groep dieren generaties achter elkaar op een scherp gedefinieerd fokdoel, bijvoorbeeld de productie van mager varkensvlees of het produceren van eieren. We spreken dan van selectielijnen. Fokkers die een ideaal dier voor ogen hebben, kunnen gebruik maken van inteelt. Ze zorgen ervoor dat in de stamboom van toekomstige generaties hun ideale dier vaak voorkomt: ze maken inteeltlijnen door familieteelt toe te passen (het paren van familieleden). Het doel is om de eigenschappen van hun ideale dier stevig te verankeren in hun nakomelingen.

Wat is inteelt?
Inteelt is het paren van dieren die aan elkaar verwant zijn: vader x dochter, zoon x moeder of volle broer x volle zus. Maar ook verderop in een stamboom kunnen aan vaders en aan moederskant dezelfde dieren voorkomen en dan is er eveneens sprake van inteelt, al is het in mindere mate.
Inteelt leidt ertoe dat op veel plaatsen op de chromosomen de genen homozygoot worden. Ze hebben een allelenpaar, waarbij het allel afkomstig van de vader gelijk is aan dat van de moeder, omdat het allel van dezelfde voorouder afkomstig is. Wanneer dat een allel is met een gunstig effect op één of meerdere kenmerken uit het fokdoel, is dat prima. Dan is inteelt een kans om vooruit te komen en een dier te fokken dat fokzuiver is, waarvan je zeker weet welk allel het door zal geven aan zijn of haar nakomelingen.
Maar een ingeteeld dier zal ook homozygoot zijn voor allelen die ongunstige effecten hebben. Dat kan leiden tot inteeltdepressie: bij inteelt zien we nogal eens een afname van gezondheid en vruchtbaarheid. Ingeteelde dieren zijn soms vaker ziek en kunnen zich moeilijker voortplanten. Wanneer nakomelingen homozygoot worden voor allelen met een desastreus effect, spreken we van een erfelijk gebrek.

Inteelttoename
Bij de vorming van inteeltlijnen is voortdurend selectie nodig. Dat geldt ook voor grote populaties van dieren (rassen) waarin altijd wel sprake is van enige inteelt. Met die selectie wordt getracht de negatieve effecten van inteelt uit te bannen.
Maar wanneer in een inteeltlijn of een ras sterk ingeteeld wordt en de inteelt van generatie op generatie snel toeneemt, is de mogelijkheid voor selectie op ongewenste kenmerken vrijwel afwezig. Een sterke toename van de inteelt wordt daarom afgeraden en het advies is dan ook om bij de vorming van rassen en lijnen altijd gebruik te maken van een brede basis aan fokdieren. Ook het aantal fokdieren per generatie moet zo groot mogelijk worden gehouden. Een stamboom die zo ver mogelijk teruggaat, is daarbij onontbeerlijk. Hiermee kan het inteeltpercentage van een dier goed worden vastgesteld.

Erfelijke gebreken
Bij het fokken van dieren worden voortdurend erfelijke gebreken ontdekt. Dergelijke gebreken kunnen samenhangen met een mutatie tijdens de vorming van een eicel of een zaadcel. De DNA volgorde van een allel is dan veranderd. Wanneer dit veranderde allel dominant is, wordt de nakomeling gehandicapt of dood geboren. Het allel sterft met andere woorden uit.
Maar wanneer het nieuwe allel recessief is, kan het zich breed verspreiden in het ras of de lijn. Het probleem wordt pas zichtbaar bij intelen: dan zal blijken dat een verre voorouder, met vaak heel veel nakomelingen in de populatie, drager was van een erfelijk gebrek. Op dat moment is het allel voor het erfelijk gebrek breed verspreid in de populatie en zijn er veel heterozygote dragers.
Is een dier drager – vast te stellen via DNA-onderzoek  - dan is het voor het ras het beste om het dier uit te sluiten van de fokkerij. Fokkers zijn gebaat bij het paren van dieren die geen dragers zijn van erfelijke gebreken. Wie wel dragers van erfelijke gebreken in een populatie gebruikt, vraagt om een stevige ethische discussie.

Bulldogfactor bij Dexters is uit te bannen
Het opvallendste aan een Dexter minikoe is haar geringe hoogtemaat. Bij Dexters zijn er twee verschijningsvormen: de hoogbenige met een schofthoogte van circa 1,05 meter en de laagbenige variant die bijna 10 cm kleiner is. De hoogbenige variant is vrij van de bulldogfactor: een hoogbenige koe of stier kan nooit een bulldogkalf als nageslacht krijgen. De laagbenige variant is wel drager van de bulldogfactor. Uit een combinatie laagbenig x laagbenig kunnen bulldogkalveren worden geboren. Een bulldogkalf is een kalf dat meestal te vroeg ter wereld komt, altijd misvormd is en nooit levensvatbaar.
In onderstaand overzicht staat tussen haakjes het genotype: B staat voor de bulldogfactor. H staat voor vrij van bulldog.
hoogbenig (HH) X hoogbenig (HH) = 100% hoogbenig (HH)
hoogbenig (HH) X laagbenig (HB) = 50% hoogbenig (HH) + 50% laagbenig (HB)
laagbenig   (HB) X laagbenig (HB) = 25% hoogbenig (HH) + 50% laagbenig (HB) + 25% bulldog (BB)

Om bulldogkalveren te voorkomen is het dus belangrijk in de kruising altijd minimaal één hoogbenig dier te gebruiken. Omdat er in de hoogbenige dieren ook een selectie heeft plaatsgevonden op de kleinste dieren is het onderscheid tussen hoog- en laagbenige dieren steeds kleiner geworden. Aangezien visueel (fenotypisch) niet 100% nauwkeurig is vast te stellen of een dier hoog- of laagbenig is, worden deze gegevens niet door het stamboek geregistreerd. Sinds 2003 is er wel een test beschikbaar waarmee vastgesteld kan worden of een dier al dan niet drager is van de bulldogfactor. De uitslag van het DNA-onderzoek naar het bulldoggen wordt in het ‘herdboek’ en op de stierenlijst verwerkt. Door twijfelgevallen te testen en nooit laagbenige dieren met elkaar te paren, is te voorkomen dat er bulldogkalveren bij Dexters worden geboren.

Erfelijke afwijking bij Zwartbles
In het voorjaar van 2008 zijn op een bedrijf met niet in het stamboek geregistreerde Zwartblessen, lammeren geboren die lijken op bulldog kalveren. De lammeren hebben een brede gezwollen kop, een dikke uit de bek hangende tong en veel onderhuids oedeem. De beenderen hebben een normale lengte maar soms een afwijkende stand. Bij lammeren gaat het om een niet eerder geregistreerde afwijking die nog niet goed is onderzocht. Van bulldog kalveren is veel meer bekend. Ze worden meestal te vroeg en dood geboren maar kunnen ook levend ter wereld komen. Ze hebben een afwijkende kop, vaak te korte ledematen en een gestoorde circulatie of gestoorde lymfeafvoer en daardoor ophoping van onderhuids vocht of vocht in lichaamsholtes. De afwijking vererft enkelvoudig recessief en wordt onder andere veroorzaakt door een stoornis in de kraakbeenvorming ten gevolge waarvan onder andere de lengtegroei van de lange pijpbeenderen afwijkend is. Andere namen voor deze afwijking zijn chondrodystrofische dwerggroei en bovine achondrogenesis. Ook deze namen wijzen op een gestoorde kraakbeenvorming (chondros = kraakbeen). Bij de mens komt een vergelijkbare afwijking voor met de naam human achrondrogenesis Type II. Hierbij is de normale opbouw van het kraakbeen in de groeischijf gestoord. Bron: GD

Dossier

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier