Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Hoe bereik je een fokdoel?

Ingediend door jinke op 07 februari 2021 - 13:12

Of en hoe je een fokdoel bereikt, heeft alles te maken met de keuze van je dieren. Het verbeteren van de erfelijke aanleg vraagt bij de meeste diersoorten de nodige tijd. De keuze van het aantal kenmerken in het fokdoel is mede bepalend voor de snelheid waarmee de erfelijke aanleg verbeterd kan worden. Dat gaat trager naarmate je meer kenmerken kiest in het fokdoel.

Veel kenmerken kun je bij een dier gemakkelijk vaststellen: kleur, lichaamsbouw en gewicht zijn daar voorbeelden van. Andere kenmerken, zoals karakter, zijn niet aan de buitenkant af te lezen. Op basis van hun eigen prestaties kun je dieren selecteren als ouderdier voor de volgende generatie. Maar je kunt ook een aantal generaties terugkijken (selectie op afstamming) of door nakomelingenonderzoek nagaan of een bepaald kenmerk aanwezig is.

Lakenvelder rund
Dat de snelheid waarmee je een fokdoel bereikt, afhankelijk is van het aantal kenmerken, toont de recente geschiedenis van het Lakenvelder rund aan. Het type is in de loop van de jaren altijd aan veranderingen onderhevig geweest. Aan het begin van de vorige eeuw constateerde schoolmeester en publicist E. van Muilwijk bij de oprichting van het eerste Lakenvelder stamboek dat er grofweg drie typen Lakenvelders waren: een licht type koe, zoals de heikneuter, een zwaardere, grotere koe met grovere botten en een zwaardere achterhand en een grotere iets melktypische koe, met een hoornstand die gelijkenis vertoonde met die van een os.

Een inventarisatie van de Stichting Zeldzame Huisdierrassen in 1978 maakte duidelijk dat de laatste twee types helemaal verdwenen waren en er van het eerste type nog slechts driehonderd dieren resteerden, waarvan slechts een honderdtal met de juiste aftekening. In 2010 stonden er ongeveer drieduizend dieren geregistreerd bij de Vereniging Lakenvelder Runderen (VLR), veelal van het lichte type. Door de toenemende vraag naar diversiteit in de Lakenvelderpopulatie (een gevolg van het constant groeiend aantal leden met een steeds bredere achtergrond), probeert men langzaam weer de twee verdwenen types in ere te herstellen, maar dat valt uiteraard niet mee.

Om fokkers van dienst te zijn, houdt de VLR een nauwkeurige registratie van de dieren bij. Speerpunt van het foktechnisch beleid zijn de diverse gradaties die de dieren kunnen krijgen. Een stamboekdier voert minimaal 96,88% Lakenvelder bloed en laat een gewenste aftekening zien. Dit certificaat krijgt een vrouwelijk dier als kalf, indien ze aan de eisen voldoet. De kalveren die in het stamboek geregistreerd worden, moeten allemaal een goedgekeurde stier als vader hebben. De keuring van stieren gebeurt door minimaal twee leden van de foktechnische commissie. Voor de stieren geldt ook dat ze minimaal twee stamboekouders en vier stamboekgrootouders moeten hebben. Dit omdat in het verleden is gebleken dat dieren met de juiste aftekening in het voorgeslacht, de juiste aftekening (laken) beter doorgeven.

Een jonge koe fokken die er mooi uitziet, is een kunst. Een koe fokken die gemakkelijk en probleemloos oud wordt en goed vererft, is helemaal een vak apart. De VLR voerde daarom het predicaat Waardevolle Fokkoe in. Bij de VLR hebben ze verschillende gradaties dieren. Zo zijn er Registerdieren, Stamboekdieren en Keurstamboek dieren. Deze termen geven aan in welke mate een koe voldoet aan het fokdoel dat de VLR stelt. Dit is vooral gericht op het eigen uiterlijk van het dier, maar het is ook belangrijk hoe een dier het uiterlijk doorgeeft aan haar nakomelingen. Daarom kunnen koeien in hun leven punten verdienen met goede nakomelingen en een koe met voldoende goede nakomelingen, krijgt het certificaat ‘Waardevolle Fokkoe.
In de praktijk blijkt dat de Waardevolle Fokkoeien vrijwel zonder uitzondering koeien zijn die gemakkelijk oud worden en waar de veehouder erg tevreden over is.

DNA-onderzoek
In het laboratorium is het tegenwoordig mogelijk verschillen te meten in de samenstelling van het DNA. Een stukje DNA waarin we verschillen kunnen ontdekken noemen we een genetische merker. De verschillende vormen van DNA die we op één plek op het chromosoom tegenkomen, noemen we allelen. Een dier kan homozygoot zijn voor dat allel (het heeft dezelfde merker van de vader en de moeder) of heterozygoot (het heeft van de vader en de moeder een verschillend allel gekregen). In groots opgezette studies zijn verbanden gevonden tussen een bepaald allel en een belangrijke eigenschap van een dier, bijvoorbeeld de snelheid van dravers. Met behulp van genetische merkers kunnen we dus direct het genotype van een dier bepalen en daarop selecteren.

Of je het door jou gestelde fokdoel kunt bereiken, hangt van veel factoren af.

  • Hoeveel verschillen zie je in het kenmerk tussen de ouderdieren die je wilt selecteren? Wanneer je bijvoorbeeld wilt selecteren op hoogtemaat bij paarden zie je veel meer verschillen dan wanneer je wilt selecteren op het aantal veulens per merrie per jaar.
  • Hoe groot is de erfelijkheidsgraad? Van de verschillen die je ziet, de uiterlijke kenmerken (fenotype), is maar een deel terug te voeren op verschillen in erfelijke aanleg (genotype). Het milieu heeft op het ene kenmerk een veel groter effect dan op het andere.
  • Hoe scherp kun je selecteren? Dit hangt sterk af van de natuurlijke vruchtbaarheid, de diersoort en de kunstmatige voortplantingsmethoden die beschikbaar zijn.
  • Hoe lang is het generatie-interval? Dat is de leeftijd van de ouders waarop de jongen geboren worden, die de volgende generatie vormen. Een merrie werpt pas voor het eerst als ze minimaal drie jaar oud is en dan duurt het meestal ook nog wel even voordat er een goed merrieveulen geboren wordt, dat de merrie kan vervangen. Bij een kip gaat dat veel sneller.

Van fokdoel naar fokresultaat bij pluimvee, een voorbeeld
In bovenstaand voorbeeld van het Lakenvelder rund worden fokdoelen gesteld en gerealiseerd binnen een stamboek. Fokken buiten het stamboek kan ook. Daarbij  stel je je eigen fokdoelen. Er zijn nogal wat fokkers die een geheel eigen weg inslaan. Neem de fokker die een zogeheten combi-kip wil creëren, een dubbeldoelkip. Een kip waar voldoende vlees aan zit en die ook eieren legt. Levende Have ontmoette deze fokker een aantal jaren geleden. Hij vertelde het volgende verhaal:
''Ik begon met een Welsumer, een zeldzaam ras, erg mooi om te zien. Maar ze vielen een beetje tegen. Het waren wilde kippen, ze legden alleen in het voorjaar en in de zomer en de hanen waren nogal agressief tegen elkaar. De hennen waren niet zo broeds. Ze gingen wel zitten, maar verlieten halverwege de broedperiode van het nest. Hij heeft er toen Marans doorheen gekruist, goede leggers en vroegrijp. Die leggen donkerbruine eieren. Door die Marans deed zich een ander probleem voor: ze pasten niet in de pan, zo groot waren ze.

‘’Uit Duitsland heb ik daarna Wyandottekrielen gehaald. Die liepen daar in een bos en waren dus erg vitaal. Met deze Wyandotte heb ik geprobeerd onze kippen wat kleiner te maken en er broedsheid in te brengen. Het uiterlijk vond ik minder belangrijk. Dat kun je altijd nog wijzigen. Om een kip voor de zelfvoorziener te krijgen, moet je er toch eerst bepaalde eigenschappen in zien te fokken. Dankzij de krielen kwamen de kippen wat meer aan de maat, ze waren goed voor de vroegrijpheid en winterleg, maar de vleessmaak ging achteruit. Daarom heb ik na de Wyandotte nog New Hampshire en vervolgens slachtkuiken moederdieren – de Hubbard JA 57 – ingekruist. Daar kon ik via een bedrijf aan komen. Het zijn compacte kippen, ze leggen ontzettend veel en er zit meer vlees aan.

''Ik heb nu verschillende lijnen in het hok zitten. Tot dusver heb ik telkens kruislings gefokt. Een hen van de ene lijn op een haan van de andere lijn. Dan is het elke keer maar weer afwachten wat eruit komt. Door inteelt kan hij nu gericht gaan fokken op bepaalde eigenschappen. ''Zonder inteelt kom je nergens. Als ik wat ik nu heb, kan consolideren, dan ben ik zo ver. Probleem is alleen dat ik hier niet teveel hanen kan houden en dat ik eigenlijk te weinig hokken heb. Het zou leuk zijn als ik dit met meerdere mensen kan voortzetten, mensen die willen meedenken en die kippen willen ruilen. Ik kan zelf namelijk niet meer dan twee of drie toompjes houden.’’

Je zou kunnen zeggen dat de fokker zijn fokdoel al fokkend heeft bepaald. Door verschillende rassen te kruisen en te selecteren op leg, grootte, en vlees, kwam hij erachter dat Welsumer x Marans x New Hampshire x Wyandotte x Hubbard JA 57 een ideale combinatie opleverde voor de door hem gewenste dubbeldoelkip.

Hij beschrijft zijn fokdoel voor de combikip als volgt:
• de hennen wegen tussen de 1,8 en 2 kilo; de haantjes rond de 3 kilo;
• de hennen leggen heel veel eieren van ongeveer zestig gram, ook ’s winters, zonder bijlichten;
• de combikippen zijn compact van bouw;
• ze zijn verdraagzaam en rustig;
• ze zijn nooit ziek en hoeven niet te worden ingeënt;
• ze zijn vruchtbaar;
• ze hebben bij voorkeur een rozenkam, die bevriest minder snel;
• hun poten zijn licht van kleur;
• hun verenkleed is wit of patrijs (de kleurslag patrijs is autosexend, dat wil zeggen: haantjes onderscheiden zich al van hennetjes als ze nog een kuiken zijn).

Dossier

Aanbevolen door Levende Have

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier