Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Fokwaardeschatting: wat geeft een dier door aan het nageslacht?

Ingediend door jinke op 07 februari 2021 - 13:09

Fokkers hebben altijd al willen weten of hun dieren goed nageslacht opleveren. Tegenwoordig kunnen ze dat vrij nauwkeurig bepalen. Met behulp van wiskundige modellen en moderne technieken is het mogelijk binnen een aantal generaties gewenste resultaten te boeken.

Vroeger ging de boer met zijn mooiste en beste koe naar de show. Alleen het uiterlijk deed ertoe. En het verhaal over melkgift en gezondheid. Wie belangstelling had voor het dier en de portemonnee trok, nam een gok. Want noch het uiterlijk, noch het verhaal had enige voorspellende waarde. Zou de beste koe van de show ook de beste kalveren geven? Niemand die het met zekerheid kon zeggen.

Melkcontrole
Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw kwam er zoiets als melkcontrole. De productie van de koe werd vastgelegd en het gemiddelde van de dochters werd per stier gepubliceerd. Nog weer later deed de eerste stierindex zijn intrede (de moeder-dochter vergelijking): het verschil tussen de gemiddelde productie van de dochters van een stier met die van de moeders bepaalde voortaan de fokwaarde van de stier. In de jaren tachtig volgde een verfijning van deze stierindex. Ook bedrijfsinvloeden (milieu) werden ingecalculeerd: binnen het fenotype werden de milieu-invloeden zo goed mogelijk van het genotype onderscheiden. Daarna voegde men ook de gehalten van vet en eiwit aan de fokwaarde toe. En nog weer later ging de aandacht ook uit naar andere verwante dieren dan alleen de dochters.

Was fokken vroeger synoniem met gokken, tegenwoordig bestaan er voor een schatting van de fokwaarde van een dier wiskundige methoden. De effecten van verschillende voeding, huisvesting, training (de milieufactoren) worden uitgefilterd, zodat het genotype, de fokwaarde, overblijft. Met behulp van een selectie-index wordt het belang van verschillende kenmerken aangegeven. Aan iedere eigenschap hangt een wegingsfactor. Hoe meer eigenschappen je wilt verbeteren, hoe langzamer iedere eigenschap op zich vooruitgaat..

Bij deze fokwaardeschatting wordt niet alleen gebruik gemaakt van informatie over het fenotype van dat ene dier, maar ook van alle verwanten die bekend zijn: ouders, broers, zussen, kinderen en kleinkinderen. Op deze manier is de fokwaardeschatting een nauwkeurige maat voor de genetische waarde van een dier en vormt deze een goede basis voor selectie. Voeg daarbij het gebruik van moderne technieken, zoals DNA-analyses en het gebruik daarvan in de fokwaardeschatting , en het zal duidelijk zijn dat de fokkers van tegenwoordig aanzienlijk sneller resultaten boeken dan hun collega’s van vroeger.

Fokwaardeschatting en de kleinschalige houderij
Wat is nu de betekenis van de hedendaagse fokwaardeschatting voor de kleinschalige houderij? Die is niet zo groot. Omdat het aantal dieren beperkt is en er te weinig nakomelingen zijn, valt er met ingewikkelde modellen weinig eer te behalen. Het kan ook zonder wiskundige berekeningen, maar dan alleen voor kenmerken die op één of twee genen berusten, bijvoorbeeld kleuren, erfelijke gebreken of de hoogte van een dier. Fokwaarden voor bijvoorbeeld de hoogtemaat zijn te schatten door hoogten van nakomelingen te meten en deze metingen te relateren aan de hoogte van het moederdier. Hier moet dan een gemiddelde uit berekend worden. Dat is de meest simpele methode die er is en die ook het begin vormde van de fokwaarde op melkproductie: de moeder-dochtervergelijking. Hiermee bekijk je in hoeverre de erfelijke aanleg van de dochters verbeterd is ten opzichte  van de moeders door de vader. Zo kan er voor een kenmerk met een hoge mate van erfelijkheid met wat meer zekerheid een voorspelling worden gedaan in hoeverre dat kenmerk bij het nageslacht aanwezig zal zijn. In de kleinschalige houderij en fokkerij gaat het veelal om exterieurkenmerken. Deze zijn redelijk erfelijk. Maar ook met andere gewenste kenmerken kan door goed te registreren vooruitgang worden geboekt. Zo kan er door het opzetten van een registratie worden gefokt op het aantal biggen bij de Bonte Bentheimer, het afkalfgemak van Lakenvelders of de weerstand tegen worminfecties bij Zwartblesschapen.

Europese fokkerijregelgeving
Bestaande regels voor de stamboeken – gebaseerd op Europese fokkerijregelgeving – schrijven voor dat ook in de kleinschalige houderij de fokkers meer systematisch te werk gaan. Stamboeken, ook die voor rassen met een kleine populatie, moeten een omschreven fokdoel hebben. Om dat fokdoel te bereiken moeten de resultaten gemeten kunnen worden. Dat gebeurt door middel van prestatieonderzoek. Met de uit dat prestatieonderzoek verkregen gegevens wordt vervolgens de genetische waarde van het dier bepaald, zodat de fokkers op basis daarvan juiste keuzes kunnen maken bij de selectie van dieren.

Zo dwingt de regelgeving de kleinschalige fokkers die nog in het stadium van de boer van vroeger verkeren, een aantal grote stappen voorwaarts te zetten. Anderzijds zijn er ook stamboeken waar prestatieonderzoek en de beoordeling van genetische waarden al lang in praktijk worden gebracht. Ook het toepassen van DNA-analyses zal de kleinschalige fokkerij snel doen veranderen. Deze zijn bijvoorbeeld in de alpacafokkerij sterk in opkomst. Het Benelux-stamboek BAF neemt dieren zonder DNA-profiel en ouderschapscontrole niet eens op.

Dossier

Aanbevolen door Levende Have

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier