Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Fokken doe je samen

Ingediend door jinke op 27 mei 2011 - 16:25

Fokkers bepalen zelf welke moederdieren nakomelingen mogen krijgen en wie de vader wordt. Maar het voortbestaan van een ras hangt af van samenwerking tussen fokkers en de afspraken die ze met elkaar maken.

Als lid van een stamboek of fokkersclub dragen fokkers de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het voortbestaan van een ras. De eerste afspraak die ze met elkaar maken gaat over de rasstandaard: hoe ziet ons ideale dier eruit, wat is het gewenste fenotype? De rasstandaard wordt gebruikt tijdens keuringen om vast te kunnen stellen in hoeverre een dier de juiste raskenmerken heeft en of een dier opgenomen kan worden in het stamboek.
Stamboeken leggen ook de afstamming van de dieren vast. Door dit generaties achtereen te doen, kunnen er stambomen van de jonge dieren worden afgegeven als een verklaring van raszuiverheid bij verkoop. De meeste stamboeken bepalen dat het jonge dier tot het ras behoort, wanneer er minimaal in twee of drie generaties van de stamboom alle ouderdieren erkend zijn als zuiver ras. Bij de rassen die gebruikt worden voor sport of voedselproductie maken fokkers ook afspraken over het fokdoel: bijvoorbeeld de snelheid bij dravers of de groeisnelheid van een schaap.

Inteelt beheersen
Een sterke toename van de verwantschap tussen de dieren in een ras leidt tot een sterke toename van inteelt in de volgende generatie(s). Dit gaat vaak gepaard met een afname van de vruchtbaarheid en de gezondheid van de dieren. Sommige dieren worden geboren met afwijkingen of gebreken. Aangeboren gebreken kunnen erfelijk zijn. De toename van de verwantschap is te voorkomen door een brede variatie in de afstamming van de dieren te behouden. In veel rassen van koeien, paarden en honden is de verwantschap sterk toegenomen doordat er in het (recente) verleden een beperkt aantal mannelijke dieren populair was (of goedgekeurd voor de dekdienst) en heel veel nakomelingen kreeg, die vervolgens alle sterk verwant zijn aan die vaderdieren.
Een belangrijke taak voor de stamboekbesturen is ervoor te zorgen dat fokkers bij iedere generatie minimaal 25 verschillende vaderdieren beschikbaar hebben en dat ze alle gelijke kansen krijgen om nakomelingen te produceren. Stamboeken kunnen fokkers dan adviseren welke mannelijke dieren ze het beste kunnen inzetten om inteelt te voorkomen.

Kruisen met een ander ras
Professionele fokkerijorganisaties hebben een fokprogramma waarbij ze heel systematisch te werk gaan om de genetische variatie in hun basislijnen vast te houden. Bij de ontwikkeling van lijnen en kruisingsprogramma maken de fokkers gebruik van een groot deel van de genetische variatie die er binnen de soort bestaat en waar ze zorgvuldig mee omgaan. Zo produceren ze efficiënt hun eindproducten en hebben ze geen last van inteeltproblemen. Integendeel, ze profiteren juist van de positieve kruisingseffecten: van heterosis.

In minder streng gecontroleerde populaties kan door fouten of door toeval de verwantschap tussen de ouderdieren in het ras echter zo groot worden, dat inteelt problemen gaat opleveren: er zijn verschijnselen van inteeltdepressie en veel ouderdieren blijken drager te zijn van erfelijke gebreken. Dan kan het inkruisen van dieren van een ander ras helpen om de verwantschap in een ras te verlagen en daarmee de inteelt(problemen) terug te dringen.
Dit middel is alleen doeltreffend wanneer het planmatig en strikt wordt uitgevoerd. Er is een verwant ras nodig of een ras dat grote gelijkenis vertoont met de eigen rasstandaard. In dat “vreemde” ras wordt een beperkt aantal mannelijke dieren geselecteerd, die bij voorkeur vrij zijn van erfelijke gebreken. Deze “vreemde” mannelijke dieren dekken een beperkt aantal vrouwelijke dieren van het eigen ras. De nakomelingen die het dichtst in de buurt van de rasstandaard komen, worden verder voor de fokkerij benut en teruggekruist met een dier van het eigen ras. Ook de kleinkinderen van de “vreemde” grootvader worden weer beoordeeld op de eigen rasstandaard voordat er mee gefokt mag worden.

Genenbank
Het Centrum Genetische Bronnen Nederland (CGN) in Nederland heeft een genenbank voor dieren. Van de belangrijkste soorten boerderijdieren is sperma ingevroren en opgeslagen. Van een aantal diersoorten (rund en paard) zijn zelfs spermadoses ingevroren van vaderdieren die vijftig jaar geleden leefden. Donatie van erfelijk materiaal van een ras aan een dergelijke diepgevroren genenbank vormt een verzekering tegen onverwachte gebeurtenissen: een ziekte-uitbraak of het verdwijnen van bepaalde foklijnen door toeval. In dergelijke gevallen mag het materiaal uit de genenbank gebruikt worden. Een stamboek dat meewerkt aan de genenbank geeft aan dat het verantwoord omgaat met het voortbestaan van het ras en de genetische variatie in het ras wil veiligstellen.

Kune Kune Vereniging sluit varkens met gebrek uit
Een onder- of bovenbeet van 2 cm of meer, een hazenlip, een gespleten verhemelte, een gesloten anus, lies- en balzakbreuken, kreupelheid en botafwijkingen, aangeboren doofheid, blindheid of hartafwijkingen – al deze erfelijke gebreken zijn voor de Kune Kune Vereniging Nederland reden varkens met deze symptomen het predikaat ’niet geschikt als fokdier’ mee te geven.
Sinds in Engeland, maar ook in Nederland, in de kleine populatie Kune Kune’s erfelijke gebreken de kop opsteken, is besloten het fokbeleid aan te scherpen. Te eenzijdig fokken op wenselijke eigenschappen heeft in Engeland nogal wat erfelijke gebreken tot gevolg. In extreme gevallen kwam in één toom biggen bij wel dertig procent van de beertjes een balzakbreuk voor. In Nederland krijgen fokkers het dringende advies zeugen van verschillende bloedlijnen eerst minimaal drie tomen biggen te laten voortbrengen, voordat de nakomelingen als fokdier naar een nieuwe eigenaar gaan. Steken in deze tomen erfelijke gebreken de kop op, dan doen de fokkers er verstandig aan de ouderdieren uit te sluiten van fokkerij.

Professionele varkensfokkerij in de praktijk
Bij de professionele varkensfokkerij gaat het om het kruisen van verschillende selectielijnen. In deze lijnen wordt de erfelijke verbetering van de productiekenmerken en reproductiekenmerken gerealiseerd. Exterieurkenmerken, zoals de kwaliteit van het beenwerk, krijgen de aandacht omdat ze de functionaliteit en de robuustheid van de dieren verhogen.
Typerend voor het fokprogramma is het gebalanceerde fokdoel. De diverse gewenste kenmerken worden “evenredig” tegelijk verbeterd. Bij een eenzijdige selectie zouden namelijk enkele kenmerken sterk kunnen verbeteren, maar bestaat wel het risico dat andere gewenste kenmerken achteruitgaan.
Vooral door de introductie van rekenprogramma’s (PEST) in het begin van de jaren 90 van de vorige eeuw is er een aanzienlijke genetische vooruitgang per jaar waarneembaar. Toepassing van deze programma’s bracht de genetische aanleg van de nakomelingen beter in beeld door informatie van zowel zuivere als gekruiste familieleden erbij te betrekken: ouders, grootouders, broers, zussen en kinderen en achterkleinkinderen.
Naast deze verbeterde fokwaardeschatting zal de komende jaren biotechnologie een bepalende rol spelen. Hierbij dient men niet te denken aan het wijzigen van het DNA van een varken, maar aan het selecteren op DNA- merkers die gekoppeld zijn aan genen voor belangrijke eigenschappen van een varken. Hierdoor is een snellere en meer gerichter selectie mogelijk.
Omdat er door professionele varkensfokkers scherp wordt geselecteerd in de zuivere lijnen, moeten deze een bepaalde omvang hebben. Afhankelijk van de te selecteren kenmerken bestaat een lijn uit duizend zeugen (berenlijnen; geselecteerd op mest- en slachteigenschappen) tot minimaal vierduizend zeugen (zeugenlijnen; geselecteerd op productiekenmerken en moedereigenschappen).
Na de geboorte van een worp worden onder meer de volgende kenmerken vastgelegd: gedrag van de zeug, aantal levend geboren en dood geboren biggen, geboortegewicht, uitval, speengewicht, aantal spenen, kwaliteit uier, diverse exterieurkenmerken, groei opfok, spier- en spekdikte, vleeskwaliteit, en erfelijke gebreken. Tomen waarin een aangeboren of erfelijk gebrek voorkomt, worden volledig uitgesloten. Het DNA van alle fokdieren wordt door de fokkerijorganisaties opgeslagen in hun DNA-bank. Van lijnen die niet meer gebruikt worden in de fokkerij, ligt sperma opgeslagen in genenbanken.

Dossier

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier