Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

De knotwilg, een wonder van biodiversiteit

Welbeschouwd is de knotwilg een wonder van biodiversiteit. Tussen de takken wemelt het van de muggen en andere insecten. Insecten trekken vogels aan, zoals spreeuwen, mezen en boerenzwaluwen. Veel vogels vinden een broedplaats in de pruik van de wilg. Ook de rest van de boom biedt dieren een schuilgelegenheid, zoals muizen, marters, padden en salamanders.

Geplaatst aan de rand van een weiland en de oever van een sloot, vermindert de boom uitspoeling van mineralen. Aan de rand van een poel geeft de knotwilg schaduw, waar vissen en andere waterdieren weer van profiteren. Daarbij komt ook nog eens de waarde van de knotwilg voor mens en vee. De takken zijn niet alleen te gebruiken als brandhout, maar ook als aanvullend voer. Geiten, schapen, koeien en paarden zijn er gek op. Kleine twijgjes en vers blad eten ze op, de takken knabbelen ze af: gezond en het geeft ze wat te doen. Kortom, de ecologische waarde van de knotwilg is groot.

Aanplanten van de knotwilg
Om de knotwilg goed tot zijn recht te laten komen is de plek en het seizoen van aanplant belangrijk. Plant een rij knotwilgen het liefst in het open veld, langs een sloot of weg. Naast hun waterregulerende functie is de landschappelijke waarde op die manier het grootst. Het aanplanten van knotwilgen is eenvoudig. Februari is de maand om aan te planten, althans volgens een oude boerenwijsheid. De periode november tot maart levert geen problemen op, mits het maar niet vriest. Gebruik een zo recht mogelijke staak, ook wel sliet genoemd, van ongeveer zes tot acht centimeter dik en tweeënhalf tot drie meter lang. Het snijvlak moet vlekkeloos wit zijn. Vlekken of verkleuringen duiden op de watermerkziekte, een ziekte waar de knotwilg gevoelig voor is. Mocht in de loop der tijd één van de knotwilgen aan deze ziekte bezwijken, plant dan een es, els of populier in het rijtje. Deze bomen zijn niet gevoelig voor de watermerkziekte en voorkomen op die manier de verspreiding van de ziekte. De es, els en populier kunnen op dezelfde manier geplant en geknot worden, zodat het landschapselement in stand blijft.

Knotten
Knotwilgen hoeven niet elk jaar te worden geknot. Beter is het om dat eens in de vier jaar te doen. Daarbij kunnen alle takken van de pruik worden verwijderd, of een gedeelte. Dit dunnen van de pruik wordt ook wel stikken genoemd. De takken die blijven staan groeien door dat stikken weer sneller uit. Worden de takken er in één keer afgehaald, dan ontstaan er na de knotbeurt meer nieuwe takken die langzamer groeien. Ook zal een deel van de takken afsterven. Het beste is te knotten met een handzaag. Daardoor kan het knotten met meer precisie gebeuren. Een motorzaag pakt al gauw een paar takken tegelijk, waardoor er grote zaagvlakken ontstaan. Bovendien vernielt de motorzaag ook wat makkelijker jong hout, terwijl dat beter kan blijven zitten. Zaag de takken af op ongeveer gelijke hoogte met de oude zaagsnede. Het knotten kan het beste in de periode half november tot half maart gebeuren, hoewel er al vanaf eind februari rekening moet worden gehouden met broedende vogels. Door vanaf januari gefaseerd te knotten - de ene boom wel, de andere niet - neemt risico op het verstoren van vogels enigszins af.

Takkenril
Als de takken van de knotwilg niet in de houtkachel verdwijnen, is het misschien een goed idee om een takkenwal of takkenril op te bouwen. Zo’n wal levert niet alleen een mooi landschappelijk plaatje op – zeker wanneer de wal een afrastering aan het oog onttrekt – maar komt ook weer de biodiversiteit ten goede, omdat tal van diersoorten er een schuilgelegenheid in vinden. De wal kan worden opgebouwd met palen van een andere houtsoort die in twee rijen in de grond worden gestoken, waartussen de takken kunnen worden gelegd. De dikke onder, de dunne boven. Deze takkenwal kan na elke knotbeurt worden aangevuld. Palen van wilgenhout zijn minder geschikt. Deze beginnen spontaan te groeien en verliezen daardoor hun functie in de takkenril. Bovendien is wilgenhout erg zacht en het rot makkelijk. De palen zouden te snel verrotten en dan vervangen moeten worden. De dunnere, buigzame takken zijn ook erg geschikt als bezem. Een klein bosje, strak bij elkaar gebonden, kan met of zonder steel een goede dienst bewijzen.

Schuilgelegenheid voor diverse dieren
Wilgen groeien snel. Hierdoor is het hout van de wilg zacht. Dat betekent dat het hout in de kachel snel op brandt, dat klompen van wilgenhout snel verslijten en dat de boom zelf snel beschadigt. Kleine beschadigingen van de bast of in de oksel van de takken kunnen leiden tot rotplekken. Als hier water in blijft staan gaat het proces van rotten nog sneller en kan de boom makkelijk grote holten ontwikkelen of helemaal hol worden. Juist om deze holten is de knotwilg zo populair bij vele diersoorten. Vleermuizen, zangvogels, kleine zoogdieren en marterachtigen verschuilen of brengen hun jongen groot in deze holtes. Als er water in een holte blijft staan, zijn dit goede broedplaatsen voor amfibieën en salamanders.

Maar de knotwilg heeft nog meer functies. De wortels houden de grond van de oevers vast en de wortels zorgen er voor dat er minder uitspoeling van mineralen plaatsvindt naar de sloot. In de schaduw van de pruik zoekt het vee verkoeling, maar de schaduw zorgt ook voor minder algen- en plantengroei in de sloot. Ook de vissen in de sloot profiteren van de extra beschutting en donkere schaduwplekjes. En tenslotte gebruiken roofvogels de kale pruik als uitzichtpunt voor de jacht, en willen diverse soorten vogels graag hun nest bouwen in de dichte takken of er jagen op de overvloed aan insecten.

Raadpleeg ons digitaal ideeenboek over biodiversiteit, klik hier

Gerelateerde informatie:

Een landschapselement als natuurlijke afscheiding

Dossier

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier