Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Blauwtongvirus is een opportunist

Ingediend door beheerder op 28 maart 2013 - 11:32

door Jinke Hesterman

Houders van schapen en koeien wachten met enige zorg het voorjaar af. Steekt het blauwtongvirus weer de kop op of niet? Dankzij ‘’verklikkoeien’’ in het hele land zullen we het gauw genoeg weten.

Het was de in Italië werkzame Zuid-Afrikaanse entomoloog Rudi Meiswinkel die in samenwerking met het CIDC-Lelystad in 2006 ontdekte dat de Culicoïdes dewulfi een belangrijke rol speelt bij het overdragen van Blauwtong. Aanvankelijk werd aangenomen dat Culicoïdes obsoletus hiervoor verantwoordelijk was. Meiswinkel had zich op verzoek van het ministerie van LNV met vallen, microscoop en veel kennis van de meer dan duizend Culicoïdes soorten verschanst in een bungalowpark in Limburg, om daar als “knuttenexpert” de minuscule insecten te vangen en te determineren. Vele duizenden knutten zijn langs zijn oog en microscoop gekomen en verdeeld in groepen. Meer dan veertig groepjes van één soort uit verschillende vangsten zijn onderzocht door het CIDC-Lelystad op het Blauwtongvirus en op het DNA van de knutten. Slechts één groepje van Culioïdes dewulfi, bevestigd op het DNA, bleek besmet met het Blauwtongvirus. Dit virus was overigens hetzelfde als het Blauwtongvirus verantwoordelijk voor uitbraken in Nederland, België, Duitsland, Luxemburg en Frankrijk.

Transportmiddel
Die ene vondst was genoeg om te weten dat het Blauwtongvirus hier z’n eigen en mogelijk nieuwe ‘’transportmiddel’’ had gevonden. Vraag is dan onmiddellijk: hoeveel van die dewulfi’s zijn er eigenlijk in Nederland? En hoeveel daarvan zijn er besmet? Hoe komt het dat de besmettingsreeks afgelopen najaar halverwege Nederland tot stilstand is gekomen? En vooral: hoe groot is de kans dat het virus zich weer gaat verspreiden zodra de temperatuur oploopt?

Voor moleculair viroloog Piet van Rijn, werkzaam bij CIDC Lelystad, zijn alle vragen even interessant, maar op een aantal moet hij het antwoord schuldig blijven. ‘’Het is bewezen dat de verspreiding van het virus onder andere afhankelijk is van de weersomstandigheden, maar wanneer de activiteit van de knutten op nul staat en wanneer ze weer gaan vliegen, is onduidelijk’’, zegt hij.

Koeienvlaaien
Vast staat wel dat het virus in runderen twee maanden kan overleven, dat de knutten in het ei-stadium bijvoorbeeld in mest kunnen overwinteren, dat de C. dewulfi een lichte voorkeur heeft voor koeienvlaaien, dat het virus zich in (overwinterende) volwassen knutten kan vermenigvuldigen, en dat er slechts een zeer gering aantal besmette knutten nodig is om een nieuwe kettingreactie van besmettingen op gang te brengen. En wie weet wordt er wel nieuw virus aangevoerd. Via knutten door een straffe Saharawind, via een besmette giraffe of andere herkauwer die vanuit Afrika verhuist naar een Nederlandse dierentuin of houderij, via de import van planten of dieren, via de paardenhandel – volgens Van Rijn kan het theoretisch allemaal. Zorgelijker is dat de praktijk heeft geleerd dat Blauwtong zich ook in Nederland kan verspreiden en mogelijk handhaven.
‘’Het is nog steeds niet bekend hoe het virus hier is gekomen en of het zich heeft aangepast aan de Nederlandse omstandigheden. Als dat laatste het geval is, moeten we rekening houden met een doemscenario. Mocht het virus de winter overleven, dan is de kans groot dat het hele land onder komt te zitten. Het is wel duidelijk dat het virus vorig jaar niet de kans heeft gekregen om zich over heel Nederland te verspreiden. Als de besmettingen al in mei waren begonnen, dan had het virus meer tijd gehad om noordwaarts te trekken. Heel opvallend was dat het zich vooral naar het oosten en westen heeft verplaatst. Dat het minder naar het zuiden en noorden ging, had waarschijnlijk met de temperatuur te maken. Het microsysteem moet kennelijk gunstig zijn voor verspreiding’’

Fascinerend
Van Rijn vindt het als moleculair viroloog ‘’fascinerend’’ wat het virus allemaal kan. Als boerenzoon beseft hij dat veehouders dat heel anders beleven. Voor een wetenschapper valt aan het gedrag en het aanpassingsvermogen van blauwtongvirus nog veel te ontdekken. Ook het gedrag van “de transporteur” speelt een rol. ‘’Het is heel moeilijk in te schatten welke condities de Culicoïdes dewulfi nodig heeft om tot vermeerdering dan wel verspreiding van het virus te komen’’, merkt Van Rijn op. Een verrassend verloop is dan ook niet uitgesloten.
Naast het schrikbeeld van een nieuwe besmettingsreeks, houdt Van Rijn serieus rekening met het andere uiterste: Blauwtong sterft uit. Hij noemt het voorbeeld van een kleine uitbraak van Afrikaanse paardenpest in Spanje, na de import van besmette zebra’s. ‘’Die uitbraak heeft twee tot drie seizoenen geduurd en is daarna uit zichzelf uitgedoofd. Het Afrikaanse paardenpestvirus, genetisch verwant aan Blauwtongvirus, vond kennelijk niet een dusdanige habitat dat het zich heeft kunnen vestigen’’, aldus Van Rijn.

Droom
De grote verdwijntruc noemt hij een mooie droom. Eerlijk gezegd is de kans daarop niet erg groot, sinds het virus in het najaar van 2006 ondanks lagere temperaturen nog langdurig voor nieuwe besmettingen zorgde. Het had alles te maken met de activiteit van de knut. Van Rijn trekt een parallel met een luchthaven die ten gevolge van de weersomstandigheden vliegtuigen aan de grond moet houden. ‘’Die vliegtuigen zijn er wel, alleen ze vliegen niet. Zo is het ook met de besmette knutten. Een paar mooie dagen en ze gaan weer de lucht in.’’ Langdurige en/of extreme kou in combinatie met koele zomers zou tot het uitdoven van Blauwtong kunnen leiden.

De knutten zijn opportunisten, daar is Van Rijn inmiddels wel achter. Als het microsysteem gunstig is en er zijn voldoende dieren aanwezig, zal hij zich niet gauw over grote afstanden verspreiden. Hij bijt gewoon het dichtstbijzijnde dier voor een bloedmaal, nodig voor de productie van eitjes. Dat in Nederland het Blauwtongvirus serotype 8 heeft post gevat, mag uitzonderlijk heten. Van Rijn vermoedt dat het al wat langer ‘’undercover’’ is geweest. Hij bestrijdt dat het hier om een milde variant zou gaan. ‘’Dit virus geeft bij runderen meer klinische verschijnselen dan andere varianten van het Blauwtongvirus ’’, zegt hij. Opmerkelijk is wel dat de runderen er alleen in uitzonderlijke gevallen aan dood gaan, terwijl er bij schapen wel sterfte voorkomt.

Blauwtong bij geiten
Het blauwtongvirus blijkt ook geiten niet te sparen. CIDC-Lelystad heeft geiten onder experimentele omstandigheden geïnfecteerd. Geiten lijken minder klinische verschijnselen te vertonen, hoewel het Blauwtongvirus wel vermeerderde in deze dieren. Ze bleken ook antistoffen aan te maken. In september 2007 heeft zich het eerste geval van blauwtong bij geiten in de praktijk voorgedaan. De dieren reageerden met koorts.

Verschenen in

Aanbevolen door Levende Have

Dierenwelzijn, de wet en natuurlijk gedrag
NIEUW! Dierenwelzijn, de wet en natuurlijk gedrag €14,95

Bestellen? Klik hier
Schapen in de weiden van de lage landen
NIEUW! Schapen in de weiden van de lage landen  € 24.90

Bestellen? Klik hier

 

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier