Landelijk kennisnetwerk van houders van boerderijdieren

Biodiversiteit beoordelen met de hoepeltest

Ingediend door jinke op 07 november 2011 - 16:02

Klavers zorgen voor eiwit in het rantsoen. Verschillende grassen en kruiden met een relatief laag energie- en eiwitgehalte bevorderen de voeropname. Variatie komt de stabiliteit van het grasland ten goede. Hoe is het met jouw weide gesteld? Doe de hoepeltest.

Maak een hoepel met een omtrek van 112 cm, gooi die naar tien willekeurige plekken in het gras en beantwoord telkens hoeveel plantjes van de hieronder opgesomde soorten voorkomen. Elk plantje krijgt een punt. Zo ontstaat een beeld van de toestand waarin uw weiland zich bevindt. In het kader van het project Biodiversiteit in praktijk *) zijn instrumentenkaarten ontwikkeld waarmee deze meting kan worden verricht.

1. Klaver
2. Twee of meer soorten grassen
3. Vier of meer soorten grassen
4. Eén soort kruidachtige (behalve klaver)
5. Twee of meer soorten kruidachtigen (behalve klaver)
6. Een van de soorten: kweek, ridderzuring, akkerdistel, scherpe boterbloem
7. Een eenjarig onkruid: muur varkensgras, herderstasje
8. Een van de soorten: grote weegbree, geknikte vossen- staart, kruipende boterbloem
9. Een van de soorten: witbol, pitrus, schapenzurig
10. Een van de soorten: jacobskruiskruid, moeraspaardenstaart

Verschillende soorten grasland
Bij de beoordeling van de gegevens is het van belang te weten of het weiland vooral dient voor productiedieren, of dat het gaat om ruwvoerwinning. In het eerste geval volstaan enkele grassoorten (Engels raaigras, beemdgras, timoteegras, beemdlangbloem) met hier en daar een kruidachtige. Op percelen voor ruwvoer komen als het goed is meer grassoorten voor en twee of meer soorten kruidachtigen. Op minder productieve percelen mogen hier en daar wel wat pinksterbloemen, madeliefjes, veldzuring, herfstleeuwentand en biggenkruid staan. Deze worden tot de niet-problematische soorten gerekend.

Een overdaad aan plantensoorten uit het rijtje 6 tot en met 10 duidt op problemen: er is teveel ruimte voor kruiden, het weiland is beschadigd, de structuur is verdicht geraakt, de pH loopt terug, er komen giftige soorten op. Voor al deze gevallen geven de instrumentenkaarten oplossingen, variërend van bemesten, maaien, kalk toevoegen tot en met een gerichte bestrijding van onkruiden.

Soort dieren bepalend voor biodversiteit
Het zal duidelijk zijn dat het soort dieren dat men houdt, bepalend is voor de gewenste biodiversiteit. Schapen, geiten en paarden kunnen over het algemeen goed worden gehouden op hetzelfde soort gras. Geschikte grassen voor de paardenwei zijn een combinatie van veldbeemdgras (de ondergrondse uitlopers vormen de basis voor een stevige grasmat), raaigrassen (groeit wat sneller de hoogte in, eiwitrijk, produceert gemakkelijk fructaan), timotee (structuurrijk gras, minder goed bestand tegen intensief belopen), roodzwenkgras (bestand tegen schaduw en kort grazen). Schapen zijn dol op klaver, een kruid waar paarden echter weer niet teveel van moeten hebben.
Doorzaaien van een wei kan in het voor- en het najaar. Een weide helemaal opnieuw inzaaien kan beter in het najaar gebeuren. Er zijn dan minder onkruiden die zich vestigen op het omgeploegde land.

Maatregelen
Scoor je minder dan twintig punten bij 1 t/m 5, dan is een goed maai- en beweidingsschema gewenst. Ook kun je herinzaaien en doorzaaien met een gras/klavermengsel en strorijke mest of compost aanbrengen. Bij een score van meer dan twintig punten is de wei prima in orde. Weiden, maaien en bloten is gewenst bij een score van meer dan twee punten bij vraag 6 en 7. Zorg voor een betere bescherming van de bodemstructuur bij meer dan twee punten bij vraag 8. Bekalken is nodig bij meer dan drie punten bij vraag 9. Jacobskruiskruid en Moeraspaardenstaart vragen om een gerichte bestrijding.

*) Biodiversiteit in praktijk is een initiatief van Praktijk Onderzoek Plant en Omgeving, Centrum voor Landbouw en Milieu en het Louis Bolk Instituut. Kijk op www.clm.nl

Bezoek ook onze Boekenpagina, klik hier