Kempisch heideschaap
Kempisch heideschaapHet Kempisch Heideschaap, voor het eerst beschreven in 1835 door een zekere heer Numan, is een middelgroot schaap. Met dat formaat behoort het tot de grote heideschapen, al is het kleiner en minder zwaar dan het Veluwse Schaap. Vanwege de goede vleeskwaliteit is het Kempisch Heideschaap van oudsher bekend en gezocht als vleesschaap.
Het is geschikt voor het beheer van heideachtige vegetaties en schrale graslanden.
Het aantal Kempische Heideschapen in Nederland is beperkt. Inteelt ligt op de loer. Op advies van de Animal Sciences Group van Wageningen UR heeft het stamboek een rammencirkel opgezet.
Raseigenschappen
Het Kempisch Heideschaap staat hoog op de benen, heeft een lange rug en een statige verschijning. De hals is lang en wordt gestrekt gedragen. De kop is lang, smal en onbewold en glanzend behaard tot achter de oren, heeft een weinig verheven neus en een plat voorhoofd. De neusspiegel is minder roze dan bij het Veluwse Schaap. De kop is evenals de poten meestal geheel wit van kleur, maar soms ook bruin of gespikkeld.
De ooien zijn altijd ongehoornd, de rammen doorgaans ook. De wol van het Kempische Heideschaap is bijna helemaal wit, tamelijk fijn. De wolopbrengst is gemiddeld 3 kg. De buik is onbewold. De staart is lang en bewold.
Volwassen ooien wegen tussen de 45 en 65 kg. Kempische Heideschapen brengen gemiddeld ongeveer anderhalf lam groot. Eenjarige ooien worden doorgaans niet bij de ram gelaten. (1)
Terug naar: (1) Oer-Brabantse dieren: sterk, sober en tam, Levende Have april 2007












