Haemonchose
Naast een aantal andere wormsoorten is de soort Haemonchus, behorende tot de Nematoden, een van de meest schadelijke bij geiten en schapen. De bijbehorende worm, Haemonchus contortus, ook wel Rode Lebmaagworm genoemd, is een bloedzuigende parasiet die zich nestelt in de lebmaag van herkauwers (schapen), bij genaamd de rode maagworm (rood vanwege het opgezogen bloed).
Vrouwelijke exemplaren van deze wormensoort leggen tot 5000 eieren per dag, die worden uitgescheiden via de mest. Na ontwikkeling via een aantal stadia worden de larven via het gras weer opgenomen. Bij dieren zonder weerstand (lammeren) kan dit zeer schadelijke gevolgen hebben.
Symptomen haemonchose of rode lebmaagworm
Door de snelle vermeerdering en het zuigen van bloed vertonen de aangetaste dieren ernstige bloedarmoede en kunnen gemakkelijk doodgaan. De bloedarmoede is goed zichtbaar aan de oogslijmvliezen, deze zijn spierwit, terwijl er soms sprake is van een dikke kop, met name de onderkant van de kaak, ten gevolge van optredend oedeem.
Opvallend is dat de mest niet dun is, maar juist aan de stijve kant en soms donkergekleurd. Het beeld van de mest kan beinvloed worden door andere worminfecties. Tijdens een mestonderzoek in het laboratorium kunnen de eieren gedifferentieerd en geteld worden, zodat de diagnose kan worden gesteld. Neem voor een goed resultaat een mengmonster van de mest van een aantal lammeren.
Larven
De rode lebmaagworm overwintert als winterslapende larve in de gastheer en vrijwel niet buiten deze gastheer. De infectie bouwt zich in het voorjaar op doordat overwinterende larven worden opgenomen en zich vermeerderen. Na een aantal generaties, vooral in jonge dieren kan de infectie soms explosief toeslaan en zichtbaar worden. Doordat de infectie zich moet opbouwen treden de eerste gevallen doorgaans niet op in het voorjaar, maar pas in de zomer, ongeveer vanaf juli. Wanneer de infectie hevig genoeg is, kunnen massal uit hun winterslaap komende larven al in het voorjaar tot zichtbare verschijnselen leiden.
Hamonchus is vrijwel ongevoelig voor ontwormingsmiddelen uit de groep benzimidazolen. Ook is er al resistentie geconstateerd tegen de groep van avermectinen. Moxidectine, monepantel en levamisol werken wel.
Als de ontworming in de herfst op het juiste moment plaatsgevonden en goed is toegepast, is de eerste behandeling pas weer nodig na het aflammeren. De ooien worden behandeld bij de het inscharen, zo mogelijk in een schone weide. De lammeren komen enige weken daarna, afhankelijk van de ernst van de worminfectie en het omweidingsschema.
Bij het graslandbeheer is omweiden de belangrijkste methode om besmetting met maagdarmwormen te voorkomen en daarmee een eventuele resistentie tegen ontwormingsmiddelen.
De schapen kunnen in de periode 1 juli tot 1 september het beste elke twee weken worden omgeweid naar veilig land. Dit beperkt de opname van infectieuze larven zoveel mogelijk.
Op deze manier wordt een superinfectie voorkomen. Schapen kunnen weerstand opbouwen, zonder dat de verschijnselen zichtbaar worden. Bij een goede behandeling hoort ook de controle van de ontworming. Dit kan door het mestonderzoek na ongeveer 14 dagen te herhalen.
Terug naar:
- Worminfecties bij schapen
- Gezondheid van schapen
- Algemeen overzicht schapen
- Homepage Landelijk Kennisnetwerk Levende Have
| Bijlage | Grootte |
|---|---|
| bloedarmoedewijzer.pdf | 173.99 KB |
- login of registreer om te reageren












