Rhinopneumonie
Rhinopneumonie is een virusinfectie veroorzaakt door een herpes-virus, EHV type 1 (equine herpes virus 1) of EHV type 4. De infectie is bepaald niet nieuw en werd reeds voor de Tweede Wereldoorlog in Amerika beschreven bij een abortusuitbraak op een paardenhouderij.
Naast het influenzavirus is deze infectie de belangrijkste oorzaak van neusverkoudheid en hoesten bij paarden. Het virus komt wijdverspreid voor. Tenzij de dieren niet in contact komen met soortgenoten, raken vrijwel alle paarden eens of meerdere malen in hun leven geïnfecteerd, waardoor zij in meer of mindere mate de verschijnselen kunnen krijgen. 90% van de paarden in Nederland heeft afweerstoffen tegen EHV4 en 30% tegen EHV1.
Dragers
Het virus kan latent aanwezig zijn, dat wil zeggen dat dieren die de infectie doorgemaakt hebben, drager kunnen zijn, zodat het gemakkelijk weer de kop kan opsteken als de weerstand van het betreffende dier verminderd is. Door het doormaken van de infectieziekte ontwikkelen de dieren antistoffen. De weerstand die wordt opgebouwd is van korte duur, waardoor een infectie zich kan herhalen en vaak mild of zelfs onopgemerkt kan verlopen.
EHV 1 type
Doorgaans verloopt de infectie als een verkoudheid, die meestal vanzelf weer verdwijnt. Het probleem zit hem echter in een aantal uitzonderingsgevallen, waarbij naast een verkoudheid ook abortus of verlammingsverschijnselen en sterfte kunnen optreden. Deze laatste gevallen zijn vooral het gevolg van een besmetting met het EHV 1 type. EHV 4 vermeerdert zich minder snel, zodat deze infectie zich enigszins beperkt tot de voorste luchtwegen en minder snel doordringt in de diepere weefsels, zoals het zenuwweefsel of de baarmoeder. Absoluut is dit onderscheid echter niet.
Afweermechanisme
Behandeling van een virusinfectie is altijd lastig, omdat virussen nu eenmaal per definitie ongevoelig zijn voor antibiotica. Besmette paarden zullen er dus door middel van hun eigen afweermechanisme weer bovenop moeten zien te komen. Ondersteuning met antibiotica is wel van belang, omdat naast de primaire virusinfectie secundair allerlei bacteriële infecties kunnen optreden, die wel met antibiotica bestreden dienen te worden. Ondersteundende therapie met koortswerende en pijnstillende middelen kan ook nuttig zijn.
Abortus
In het geval van een EHV type 1 besmetting kan een merrie, waarvan de dracht tot voorbij de vijfde maand gevorderd is, na enige weken aborteren, waarbij grote hoeveelheden virus kunnen worden verspreid. Vindt de infectie aan het einde van de dracht plaats, dan kan het veulen weliswaar voldragen, maar toch verzwakt geboren worden. In dat geval zal het meestal binnen enkele dagen sterven. Komt deze ziekte voor op stoeterijen met meerdere fokmerries, dan kan de schade vanzelfsprekend aanzienlijk zijn.
Zenuwverschijnselen
Wordt bij de infectie het centralezenuwstelsel aangetast dan kan dat leiden tot zenuwverschijnselen, zoals het laten lopen van de urine, ataxie (verminderde controle van de achterhand) of zelfs verlamming zodat de dieren niet meer kunnen staan. In dat geval is euthanasie wellicht de beste oplossing, of rekening houden met een lange revalidatie.
Symptomen
De respiratoire vorm van EHV-infectie (rhinopneumonie)
• Koorts (38,5 – 41 °C)
• Gebrek aan eetlust
• Sloomheid
• Vergrote lymfeklieren
• Uitvloeiing uit ogen en neus
EHV-infectie resulterend in abortus of zwakke veulens
• Tijdsduur tussen besmetting en abortus:
2 weken tot meerdere maanden
• Merrie met latente respiratoire infectie aborteert plotseling
vanaf 6 maanden dracht
• Zwakke veulens: luchtweg- en/of leverproblemen; zeer slechte prognose
EHV-infectie met neurologische verschijnselen
(herpes myeloencefalopathie)
• Snel beginnend, vergelijkbaar met een beroerte,
daarna snelle verslechtering binnen 48 uur
• Respiratoire verschijnselen al dan niet aanwezig, koorts mogelijk
• Scheef houden van het hoofd
• Slepende gang
• Coördinatiestoornissen, ataxie, in het bijzonder in de achterhand
• Slap afhangende staart, incontinentie en/of met mesten
Vaccinatie
Gezien de mate van verspreiding en de manier waarop dat plaatsvindt, is het vrijwel uitgesloten om een dier zodanig te isoleren dat het zeker gevrijwaard blijft van een besmetting. De beste manier om dieren te beschermen is om ze te laten vaccineren, waarbij men moet zien te voorkomen om dat te doen bij dieren later in de dracht, omdat de vaccinatie enig risico van abortus met zich meebrengt. Ook dient de vaccinatie regelmatig (twee maal per jaar) te worden herhaald omdat de weerstand niet erg bestendig blijkt te zijn.
De op de markt zijnde vaccins bieden overigens alleen bescherming tegen de verkoudheidsvorm, dus de griepachtige verschijnselen. Er is geen waterdichte bescherming tegen abortus en voor verlammingsverschijnselen is bescherming niet aangetoond. Vaccins dienen vooral om de uitscheiding van het virus te beperken. Daarom heeft het de voorkeur om – als er gevaccineerd wordt - alle paarden in de stal te vaccineren tegen EHV1 en 4.
Bij deelname aan wedstrijden of andere paardenevenementen is het zaak om de dieren zo min mogelijk in direct contact met andere deelnemende paarden te laten komen en geen hulpmiddelen zoals halsters, emmers of voer uit te wisselen. (1)
Terug naar:
(1) Rhinopneumonie, Levende Have februari 2006












