Longwormen bij runderen

De levenscyclus van de longworm (Dictyocaulus viviparus) wijkt enigszins af van die van maagdarmwormen.

1) Kalveren, pinken of koeien nemen met het grazen infectieuze larven (L3) op.

2) Na ongeveer 8-9 dagen bereiken de larven de longen. Daar groeien ze in ongeveer 2 weken uit tot volwassen wormen die
eieren produceren. De eieren bevatten al een klein larfje en de larfjes kunnen al in de longen uit het ei komen. De eieren (en larfjes) worden opgehoest en grotendeels
ingeslikt.

3) Na het inslikken passeren de eieren en larfjes het maagdarmkanaal. Tijdens deze passage komen alle eieren uit., zodat uiteindelijk met de mest alleen larfjes (L1) op het weiland terecht komen. De periode tussen opname van een infectieuze larve (L3) en het eerste moment dat we daarna nieuwe larven kunnen vinden in de mest noemen we ook wel de pre-patent periode en duurt dus ruim 3 weken.

4) In de mest ontwikkelen de eerste stadium larven (L1) tot derde stadium larven (L3), die infectieus zijn voor het rund. Op het weiland duurt dit proces zo'n 5-8 dagen tijdens Nederlandse zomers. De ontwikkeling is veel minder weersafhankelijk dan die bij maagdarmwormen, hoewel ook hier de de ontwikkeling stopt op vertraagt bij erg lage temeraturen.

5) Anders dan de L3 van de meeste maagdarmwormsoorten, zijn die van longwormen weinig actief. Ze hebben daarom hulp nodig om zich te verplaatsen vanuit de mest naar het omringende gras. De belangrijkste hulp is afkomstig van een schimmeltje (Pilobolus spp.- zie foto) dat in grote getale groeit op mestplakken. Dit schimmeltje zorgt voor een zeer snelle en efficiente verspreiding van de larven naar het gras tot meters in de omtrek. Bijna ongeacht het weer kunnen vanaf een week nadat de eerste L1 larven met de mest zijn uitgescheiden, L3 larven massaal op het gras worden gevonden.

6) Daarentegen kunnen longworm L3 larven niet zo lang overleven op de weide als die van maagdarmwormen. Zomers is na 2 weken al bijna 90% van de longworm L3 larven gestorven en na 6 weken zijn ze vrijwel allemaal verdwenen. L3 larven kunnen soms overwinteren in Nederland, maar meestal sterven ze af. Dat betekent dat longworm vooral overwintert in drager dieren (pinken, maar vooral koeien). Deze dragers scheiden elk jaar opnieuw kleine aantallen larven uit met de mest. De meeste infecties bij kalveren beginnen dus als dragers nieuwe larven op de weide gebracht hebben waar die kalveren grazen (b.v. door weiden van droge koeien op kalverpercelen)

Ziektebeeld

De meest duidelijke verschijnselen zijn hoesten en een (sterk) verhoogde ademhalingsfrequentie. Bij het hoesten strekken de dieren hun hals en bollen de rug waarbij de tong uit de bek komt. De ademhalingsfrequentie kan bij kalveren oplopen van normaal 30-40 tot wel boven de 90-100 per minuut bij zeer ernstige longwormziekte. Daarnaast worden de dieren lusteloos en verliezen eetlust. Koorts en neusuitvloeiing zijn geen verschijnselen die duiden op een infectie met longworm. Dat hoort meer bij virale of bacteriele longinfecties, welke overigens wel gemakkelijker kunnen toeslaan indien der sprake is van longwormziekte.

Besmettingspatroon
Geringe aantallen besmettelijke larven kunnen op de wei overwinteren maar meestal zijn ze in het voorjaar al afgestorven. Hoe later in het jaar de kalveren naar buiten gaan hoe kleiner de kans dat ze zich met overwinterende larven besmetten.

Aanpak in natuurgebieden
De snelle ontwikkeling van in de mest uitgescheiden larven tot besmettelijke larven betekent dat er geen praktische beweidingsmaatregelen ter bestrijding van longwormen zijn. Als er ziekteverschijnselen optreden kan in overleg met een dierenarts worden besloten om de kalveren te behandelen met een wormmiddel.



Levende Have Magazine

Levende Have


EnquĂȘte

Dierenvideo

Opmerkingen over de website

Heeft u vragen en / of opmerkingen over de website klik dan Hier.


Wie zijn online?

Er zijn momenteel 0 gebruikers en 130 gasten online.

Nieuwe leden Levende Have

  • BlackLacey
  • dushiendonna
  • Verdellen
  • verzekeringen
  • gulina
  • korff069
  • henkbosscher
  • mechjansen